|
[Draft. Nog uit te werken. Versie 24 juni 2026 22.30] Een hier en daar wat harde en taaie tekst; misschien alleen geschikt voor als je echt honger hebt naar waarheid, eerlijkheid en bereid bent in de spiegel te kijken. Ik ben op zoek. Op zoek naar antwoorden op misschien wel de diepste vragen die ik in dit leven ben tegengekomen. Vragen als: wat is goed? Wat is waar? Wat is zuiver? Wat is eerlijk? Ben ik eerlijk? Kan ik, kan een mens die vraag wel beantwoorden? Is een mens in staat zijn eigen oneerlijkheid zien? Wil ik die wel zien? Waar heb ik recht op? Wie heeft er gelijk? Wie is betrouwbaar? En wat is betrouwbaarheid? Wie bepaalt de definitie daarvan? Op basis van wat? Wie is schuldig? Wanneer is een mens schuldig? Wat betekent vrijheid? Tot hoe ver gaat mijn verantwoordelijkheid? Allereerst dit: stel dit soort vragen niet zomaar aan jezelf of aan een ander. Geloof ook niet zomaar ieders antwoord en geef zelf ook niet te snel een antwoord. Want een snel antwoord bevat vaak termen die we van anderen lenen. Meningen die mensen geven over 'recht', 'plicht', 'belofte', 'zorg', 'eerlijkheid', 'trouw' en 'liefde' klinken misschien wel doordacht maar zijn niet altijd doorleefd voordat ze uitgesproken worden. En in oordelen die we over een ander hebben klinkt niet zelden onze eigen projectie en frustratie door. In snelle antwoorden op dit soort vragen zit vaak de adem van onze pijn, onze wrok, onze angst, onze trots. En we zijn allemaal geneigd te denken dat we daar zelf niet zoveel last van hebben. Het is vooral de ander bij wie die neiging waarnemen. We zijn opvallend sterk overtuigd van onze oprechtheid, onze zuivere motieven en ons gelijk. Niet alles wat goed doordacht is, is ook doorleefd. Het eerste is interessant. Het tweede raakt mijn hart. In de loop van mijn 58-jarige leven meen ik een beetje te hebben gezien hoe snel we vanuit ons eigen belang antwoorden geven op de vragen waar ik mee worstel. Ik dus ook. En vanuit eigenbelang acties ondernemen. Zelfbescherming, zelfverdediging, zelfrechtvaardiging, mijn eigen gelijk willen halen, impulsieve reacties vanuit mijn eigen onverwerkte pijn ... hoe meer ik een beetje eerlijk in de spiegel durf te kijken, hoe meer ik me schaam voor mijn neigingen om mij zelf altijd weer in te dekken. Mijn eigen gedrag te verklaren, te vergoelijken. Goed over te komen. Indruk te maken. Als je die neiging alleen maar bij anderen herkent en niet bij jezelf kun je misschien beter niet verder lezen. Want dan ga je al lezend steeds meer bewijzen zien voor je aannames over goed en fout. Vooral over die ander. Wat goed is en wat waar is blijft voor altijd goed en waar meen ik geleerd te hebben. Het goede zal uiteindelijk zichzelf bewijzen. Waarheid ook. Al duurt het eeuwen. Een keer werd duidelijk dat de aarde inderdaad rond is. Een keer zal de hele schepping zien dat God toch bestaat. Voor het goede geldt hetzelfde. Het goede hoeft zich niet in te dekken tegen oordeel of imago-schade. Het heeft geen bewijs, verdediging of bescherming nodig. Het zal zichzelf bewijzen. Daarom is het goede niet bang voor het oordeel van de ander. Want het weet dat het goed is. Het goede is bereid de prijs voor zichzelf betalen. Want het goede is per definitie waardevol. Het weet wat het waard is. Dat geldt ook voor waarheid. De leugen heeft make-up nodig, maar de waarheid verschijnt zoals hij is. Maar als het goede geen bewijs voor zichzelf zoekt, en als het goede weet dat het goed is, en als ik tegelijkertijd net als iedereen mezelf wijs kan maken dat ik het goede doe, hoe onderscheid ik in mezelf dan wat goed en fout is? Ik kan denken dat ik het goede doe of heb gedaan, er op vertrouwen dat het daarom zichzelf zal bewijzen, maar ondertussen blijkbaar mezelf voor de gek houden. De eindeloze tragische conflicten en jarenlang slepende rechtszaken die mensen hebben zijn het bewijs dat iemand zichzelf wijsmaakt dat hij het goed gedaan heeft en dat zijn mening de waarheid is. Of de een gelooft in een leugen, of de ander gelooft in een leugen, of allebei. Of ze praten volledig lang elkaar heen vanuit een eigen werkelijkheid die wellicht allebei bestaansrecht heeft. Om nog niet eens te zeggen dat iemand bewust aan het liegen is. Deze wanhopige schrijnende situaties waar mensen lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan, overtuigd van hun recht en hun gelijk, zijn vanaf kinds af aan al mijn grootste verdriet. Een groot deel van wat ik schrijfsels gaat hierover. Hoe moet ik me hiertoe verhouden? Welke houding neem ik hierin aan? Hoe kan ik recht doen aan de waarheid? Maar ook aan de ander. En aan mezelf. Waar vind ik een kompas? Dwars door alle worstelingen met de werkelijkheid, met emoties, trauma's, oordelen, begrip, onbegrip, verbondenheid, eenzaamheid, verwondering, verlies, dankbaarheid, woede, liefde, pijn en verdriet, goede keuzes, slechte keuzes, fouten, zonden, falen, heldendaden, stoere acties, succes, verlies, na tienduizenden gesprekken met mensen, na 36 jaar huwelijk, na het opvoeden van meerdere kinderen en na honderdduizenden uren denken en zoeken begin ik voorzichtig iets nieuws in het leven te ontdekken: drie ethische lagen. Ik krijg steeds meer de indruk dat er (in ieder geval in mijn leven) drie ethische lagen bestaan waarin de bovengenoemde vragen zich op heel verschillende manieren aandienen. Evenals de antwoorden. Die verschillende lagen maken zowel het stellen van de vragen als het zoeken naar antwoorden heel complex. Omdat elke laag een eigen werkelijkheid lijkt te zijn waarbinnen zowel vraag als antwoord heel anders verschijnen. En niet helemaal in lijn te krijgen zijn met de andere lagen. Misschien ontdek ik in de komende weken, maanden of jaren nog meer lagen; dat weet ik niet. Ik heb het niet over 'perspectieven' (naast elkaar) maar over 'lagen': de één lijkt dieper en verder te gaan dan de ander. Wat ik hier beschrijf is zeker weten niets nieuws. Grote denkers, theologen en filosofen hebben hierover veel langer, diepzinniger en uitgebreider nagedacht dan ik. Maar: wat ik hier schrijf zijn in ieder geval geen geleende gedachten. En het is ook geen napraterij. Het zijn misschien oude vragen die al veel langer bestaan dan ikzelf, maar ik ben ze nu tegengekomen in mijn leven. Nee, dat zeg ik niet goed; ik ben er over gestruikeld. Ze lagen op mijn weg en ik viel erover omdat ik ze niet zag liggen. Ik wist van het bestaan van deze vragen hoor. Ik had er zelfs boeken over gelezen. Er terloops over gepraat en gefilosofeerd met anderen. Gediscussieerd zelfs. Ik was misschien zelfs stellig. Toen was het interessant. Maar nu struikelde ik er over en lag ik op de grond. Gewond. Geschrokken. Onthutst. Nu was het niet meer interessant, ik was geraakt. Ik heb er deze 'voorlopige woorden' voor gevonden terwijl ik nog aan het bijkomen ben van de schrik. Wat ik nu ga zeggen klinkt misschien niet heel aardig, maar ik meen het wel. Als je reageert: vermoei me niet met theoretische reacties. Zo van: 'Volgens dit en dat model moet je dit zus en zo zien'. Als je dat model zelf hebt ontdekt, er mee hebt geworsteld, er zelf over bent gestruikeld of het hebt doorleefd luister ik graag naar je. Dan luister ik niet naar een uitleg over een theorie, maar dan luister ik naar jou. En dan leer ik graag van jouw levenslessen. Ik weet zeker dat we dan iets bij elkaar herkennen. Iets 'doordachts' is op zijn best interessant, maar iets 'doorleefds' dwingt respect af en raakt mijn hart. Ik ben even klaar met 'doordachte' theorieën die mensen ergens 'lenen' en heb behoefte aan 'doorleefde' gedachten. Ik vervolg mijn zoektocht al schrijvend vanuit deze vragen: Wat is goed? Kun je weten wat goed is? En wanneer weet je dan dat iets goed is? Wat is waar? Kun je weten wat waar is? En zo ja: wanneer weet je dat iets waar is? Hetzelfde voor 'waarachtig' en voor 'betrouwbaar'. Ik weet dat er in de filosofie mooie termen voor dit soort vragen zijn, maar die laat ik bewust even achterwege omdat ik dicht bij mijn eigen pure vragen wil blijven. Filosofie heeft het imago van iets wetenschappelijks, maar filosofie is wat mij betreft per definitie geen 'wetenschap'. Ik zie het veel meer als een kunst. Vrijwel alle bekende filosofische theorieën ontstaan doordat iemand een intensief persoonlijk gevecht met het leven voert en daar vanuit zijn eigen werkelijkheid, gekleurd door zijn eigen persoonlijke geschiedenis, aard, talent en stijl betekenis aan geeft. Veel mensen, vooral intelligente analytische types, herkennen zich in de teksten van een filosoof. Het geeft hen richting. Dat is taalkunst. Denkkunst. Eerlijkheidskunst. Iets wat voor iedereen goed zou zijn om te oefenen. 1. De eerste ethische laag: wat is rechtmatigheid? De eerste ethische laag waar ik in terecht kom in mijn zoektocht naar antwoorden op deze vragen gaat over regels, feiten, wetten, verplichtingen. In deze laag zoek ik de antwoorden in logische structuren en afspraken. Rechten en plichten die ergens op papier zijn gezet. In deze laag ontmoet ik mijn verantwoordelijkheid tegenover de waarheid van de alledaagse realiteit. Tegenover de buitenwereld. Als ik binnen deze laag redeneer lijken (of zijn?) dingen vaak helder: dit is goed en dat is fout. Dit is toegestaan, dat niet. Dit is mijn recht. Dat is mijn plicht. Het is eventueel de hoeveelheid regels op bepaalde terreinen die het complex maakt om nog helder te zien wat goed en fout is. Maar de afzonderlijke regels hebben een bepaalde heldere scherpte in zich. Iets is wit of zwart. Woorden die hierbij horen zijn: toetsen, controleren, beoordelen, oordelen. Juridische en technische taal past hier goed bij. Rationele, systematische taal met vastgestelde begripsdefinities. Technische diagnostiek. Protocollen. Fouten aantonen en keuzes beredeneren door geldende regels te hanteren en geldende uitzonderingen toe te staan. De kracht hiervan is regulatie van de complexe praktische, economische en sociale werkelijkheid en toetsing van gedrag. Betrouwbaarheid staat in deze laag voor de mate waarin ik me houd aan de voor mij geldende regels en afspraken die ik heb ondertekend. En de mate waarin ik bereid ben daar verantwoording over af te leggen. Dat is meestal goed meetbaar. Maar als dit de enige laag is waarbinnen ik denk en handel word ik hard, formalistisch. Dan word ik een boekhouder van goed en fout. Dit is volgens de afspraken mijn verantwoordelijkheid en dat niet. En dit onderwerp valt nog wel binnen mijn verantwoordelijkheid en die niet. Einde discussie. In deze laag is gelijk hebben goed aantoonbaar, maar soms ook de goedkoopste vorm van onschuld. Ik hoef me in deze laag niet af vragen wat mijn gelijk heeft aangericht; ik hou het simpel bij de feiten en de spelregels. Ik kan volkomen gelijk hebben, maar met mijn gelijk een spoor van pijn en ellende aanrichten. 'Ik heb me als hulpverlener netjes aan de regels gehouden. Dat mijn client suïcide heeft gepleegd terwijl ik deze regels hanteerde valt mij niet te verwijten.' Hier klopt het voor mij niet meer. Misschien is dat voor jou heel anders. Ik beschrijf slechts waar het bij mij gaat wringen. Of dat terecht is weet ik nog niet. Waarom gaat het bij mij wringen? Wat betekent dat? Wat zegt dat over de waarde van regels? Wat zegt dat over mijn persoonlijke reactie op regels? En wat zegt dat over mij? Om daar antwoorden op te vinden moet ik een laag dieper. 2. De tweede ethische laag: wat is zorg? In deze laag gaat het vooral over het diepere, gevoelsmatige of uiteindelijke effect dat mijn (al of niet rechtmatige) acties hebben op de ander. In deze laag kijk ik niet alleen of ik de correcte woorden heb gebruikt, of ik de correcte handelingen heb gedaan, maar luister ik terug hoe mijn woorden overkwamen en wat ze geraakt hebben. En wat mijn handelen voor uitwerking heeft gehad. Het roept de vraag op of ik écht praat, zwijg of handel uit oprechte zorg voor de ander, of dat ik handel uit irritatie, controle, oordeel of angst voor mijn eigen hachje. Waar ik in de eerste laag mijn verantwoordelijkheid tegenover de buitenwereld ontdek, ontdek ik hier mijn verantwoordelijkheid tegenover de binnenwereld van de ander. In deze laag redeneer ik niet primair vanuit mijn recht en mijn plicht of vanuit de letterlijke tekst van regels, maar aanvaard ik dat ik ook verantwoordelijk ben voor het (bedoelde of onbedoelde) effect van mijn woorden of mijn handelen. Was het opbouwend of afbrekend? Ook dus voor het negatieve effect van mijn woorden. Al heb ik dat niet zo beoogd en al is het misschien binnen de eerste laag prima te verdedigen. Ik kan deze laag alleen betreden vanuit een houding van diepe bescheidenheid. Ik ontdek dat de betekenis die ik geef aan mijn woorden en mijn handelen geheel of net anders kan zijn dan de betekenis die de ander er aan geeft. Of die het voor de ander heeft gekregen. Of die mogelijk de ander is aangereikt. Hier leer ik de bereidheid om te aanvaarden dat wat ik heb gedaan misschien volledig terecht is, gezien vanuit de eerste laag, maar toch schadelijk. Ik leer in deze laag van de ethische werkelijkheid dat iets tegelijkertijd volkomen terecht en beschamend onverstandig kan zijn. En omgekeerd ook: ik kan het juiste doen terwijl ik de regels van de eerste laag overtreed. Misschien doe ik wel het juiste door de regels los te laten? Dit gaat over het relationele en emotionele effect van mijn gedrag. Wat is de uitwerking van mijn woorden, mijn houding en mijn reacties, mijn daden op de unieke binnenwereld van de ander? Op zijn of haar gevoel van veiligheid. Op zijn of haar zelfbeeld. Op diens vertrouwen in mensen. Op zijn of haar gevoel van gehoord en gezien worden. Ook dat roept veel vragen op. Mag ik, louter vanuit deze laag bezien, de regels loslaten als dat tot betere zorg voor iemand leidt, of mag ik dat alleen doen als daar in de eerste laag een uitzondering voor is gemaakt? Of mag ik dat alleen doen als duidelijk is dat de zorg voor de ander in gevaar is? En moet ik dat wat ik kies vanuit de tweede laag altijd kunnen verantwoorden in de eerste laag? En waar ligt de grens? En wie bepaalt die? Wie ben ik om dat zelf te bepalen? En wie ben ik om daar een ander bij te betrekken die daar niet om vraagt? Wie ben ik om een ander daarmee medeverantwoordelijk te maken? Heb ik het recht iemand in een gewetensconflict te brengen wanneer de eerste en tweede laag met elkaar wringen? Geen makkelijke vragen. Hier wordt het veel complexer. Hier ontstaat sneller chaos in mij en tussen mij en de ander. Hier kan ik me niet meer verschuilen achter regels, maar worden mijn diepere motieven beproefd. Maar hier ontstaan ook meer risico's dat ik vanuit blindheid voor mezelf aan de haal ga met 'zorg'. Hier ontstaat het risico dat wat ik 'zorg' noem niet overeenkomt met wat degene voor wie ik zorg, als 'zorg' ervaart. Mijn zorg kan als beknellend worden ervaren. Of als bepalend. Of zelfs als manipulatie. Mijn liefdevolle toon kan als misleiding worden beleefd. Hier ontstaat ook de angst dat ik verkeerd begrepen wordt en daarom maar geen zorg meer durf te verlenen. Handelen uit oprechte zorg of naastenliefde wordt daarmee ook heel spannend. Het kan zich ook een keer tegen je keren. Durf ik dat risico te nemen? Durf ik mijn nek uit te steken voor mij naaste? Betrouwbaarheid staat in deze laag voor de integriteit (ben ik zuiver, oprecht, kloppend, meen ik het echt?) en de consistentie (blijf ik ook onder grote druk in mijn overtuiging staan, hou ik het vol?) waarmee ik zoek naar het beste voor de ander. Dat is niet echt meetbaar of toetsbaar aan de hand van regels, maar valt wel af te leiden uit mijn inzet, mijn houding, en vaak uit het verloop van een verhaal. Het is soms voelbaar voor de mensen om mij heen. Maar niet altijd; en niet voor iedereen. Toch vind ik in deze laag ook niet altijd de diepste overtuigingen over goedheid en waarheid waar ik naar zoek als ik in grote gewetensnood ben. Als mijn geweten en mijn intuïtie nog niet gerust zijn. Er moet meer zijn. Nog een laag dieper. Iets wat verder gaat en waar ik nog meer richting, nog meer moed, nog meer overtuiging uit kan putten als mijn geweten mij blijft bezwaren. 3. De derde laag: wat is liefde? Dit gaat over de impact van mijn handelen op de geschiedenis van mijn medemensen. In deze derde laag ontdek ik mijn verantwoordelijkheid tegenover de toekomst die ooit ook weer geschiedenis zal zijn. Tegenover mensen die ik nu (nog) niet ken. En tegenover mensen die ik nu wel ken, maar van wie ik niet weet wie, wat of hoe ze over tien, twintig of dertig jaar zullen zijn. Ik leer in deze diepere laag dat wie handelt vanuit de toekomst vandaag vaak niet wordt begrepen. En dat wie geschiedenis wil schrijven bereid moet zijn in het heden onbegrepen en eenzaam te zijn. En tegenwerking te verdragen. Dit ervaar ik als de hoogste (of zo je wilt: de diepste), de belangrijkste laag. Misschien wel de meest wezenlijke laag. Dat weet ik nog niet goed. Ik heb een verantwoordelijkheid tegenover de toekomst. Een toekomst die ooit ook weer geschiedenis zal zijn en nu nog zo onzeker is. Maar die wel mede gevormd wordt door wat ik vandaag kies. Deze derde laag is natuurlijk ook de meest 'gevaarlijke'. Want wie kan in de toekomst kijken? Wie toetst mijn ideeën daarover? Ben ik sowieso bereid mijn ideeën te laten toetsen? Wie mag inspreken in mijn leven? En verzin ik niet onbewust een toekomstscenario dat vooral in mijn eigen belang is? Hoe zuiver, vrij van ongezonde beelden, angsten, verlangens en gedachten ben ik of moet ik zijn om deze derde laag überhaupt te kunnen betreden? Ga ik niet op de troon van God zitten als ik me in deze laag begeef? Kan of mag een mens deze laag wel betreden? Of is het juist mijn verantwoordelijkheid nu ik 58 ben om meer uit te zoomen op de geschiedenis en de impact van mijn keuzes op de geschiedenis die nog geschreven moet worden? En moet er niet eerst in de andere lagen 'recht' gedaan worden aan zaken voordat ik deze laag mag betreden? Wezenlijke, eerlijke en belangrijke vragen die ik hoor in mijn binnenwereld. Confronterende vragen. Vragen waar ik niet met volle overtuiging zomaar een antwoord op kan geven. Ik kan hoogstens de meest eerlijke houding aannemen ten opzichte van God, mijn naasten, mezelf en de toekomst. Maar je eigen eerlijkheid kun je nooit helemaal toetsen. Het is in deze derde laag dat ik mezelf het meest kritisch leer te benaderen. Het is in deze derde laag dat ik besef dat bescheidenheid en nederigheid ook hard kunnen zijn. Ik moet me onderwerpen aan de diepste, grootste eerlijke waarheid over mijzelf. Die is niet bepaald alleen maar mooi. Maar ook niet alleen maar lelijk. Betrouwbaarheid is in deze laag daarom moeilijk toetsbaar, zowel voor mijzelf als voor anderen om mij heen. Het gaat om mijn diepste overtuigingen die voor een ander soms juist vervreemdend overkomen omdat ze per definitie niet altijd kloppen met de ideeën van anderen in het heden. Laat staan met regels of afspraken. Dat maakt deze laag tot de meest ingewikkelde, maar ook de meest uitdagende. De geschiedenis toetst en beproeft uiteindelijk wat goed, waar of waarachtig is. Het moet per definitie nog blijken. Soms maakt de geschiedenis dit duidelijk en misschien soms ook niet. Dan zal het in de eeuwigheid duidelijk worden. Dat kan ook een heel troostend besef zijn. Het is daarom in deze derde laag dat ik leer wat mij de kracht geeft om onbegrip en hard oordeel te verdragen. En juist niet bescheiden te zijn. Maar overtuigd, zeker, standvastig. Het daagt me uit om dat te doen wat misschien nu niet begrepen wordt, wat in de eerste laag als fout wordt gelabeld en misschien zelfs in de tweede laag als harteloos, liefdeloos of egoïstisch wordt ervaren. Maar waar ik in alle eerlijkheid toch achter sta omdat ik geloof, omdat het mijn beste gedachte is, dat dit voor de komende twintig, vijftig of honderd jaar de beste keuze is voor de ander die ik nog niet eens ken. Het zijn de keuzes die ik maak nadat ik met mijn geest zo eerlijk mogelijk vooruit gereisd ben in de tijd. En geprobeerd heb, mijn uiterste best heb gedaan, zo eerlijk mogelijk te zien hoe de geschiedenis zich verder kan ontwikkelen. En hoe ik vanuit het perspectief van de eeuwigheid, van God zelf, zou willen dat die zich ontwikkelt. En wat drijft mij dan blijkbaar ... ? Is dat écht die ander? Is dat wel Gods belang? Of toch stiekem mijn eigen belang? Ik leer te denken vanaf mijn sterfbed. Op die laatste dag, in mijn allerlaatste momenten, als ik weet dat mijn ademruimte binnen een uur weg kan zijn, hoe zal ik dan op deze keuze terugkijken? Waar zal ik vrede over hebben in mijn geweten? Waar zal ik me schuldig over voelen? Wat heb ik dan nog goed te maken? En met wie? Hoe zal ik dan 'goed' of 'fout' zien in deze zaak? Wat kan mijn keuze uitwerken op de generaties die na mijn dood nog zullen komen als ze dit verhaal horen? Wat wil ik bijdragen aan de geschiedenis van mensen na mij? Maar er is iets dat nog verder gaat. Ik leer niet alleen te denken vanaf mijn eigen sterfbed; ik leer te denken vanaf het sterfbed van de ander. Hoe zal de ander terugkijken op mijn keuze van vandaag? Op de gevolgen die mijn keuze op zijn of haar leven heeft gehad. Hoe zal hij of zij sterven met mijn woorden en mijn handelen in zijn of haar geschiedenis? Heb ik bijgedragen aan een vredig sterfbed of heb ik bijgedragen aan extra strijd? Hoe kan ik er aan bijdragen dat hij of zij durft te geloven dat echte naastenliefde bestond in dit leven? Aan het denkbeeldige sterfbed van de ander nader ik misschien voorzichtig het diepste waar ik kan komen ... Iemand zei onlangs tegen me: 'Het is natuurlijk een illusie dat je nog invloed kan hebben op iemand die buiten jouw gezichtsveld is'. Ik knikte. Niet omdat ik het er mee eens was maar omdat dit precies de illusie is die veel mensen hebben: ik heb geen invloed op en geen verantwoordelijkheid voor iemand die niks met mij te maken wil hebben; wat buiten mijn bereik ligt is verder niet mijn verantwoordelijkheid. 'Was het maar waar' dacht ik. Het grootste gedeelte van mijn werk in de afgelopen tientallen heeft bestaan uit het meezoeken met mensen naar hoe je juist met die invloed van anderen in je leven om kunt gaan. Je kunt aan de andere kant van de wereld gaan wonen en niets meer met je ouders te maken willen hebben. Maar zij blijven jou beïnvloeden. En jij blijft hen beïnvloeden. Elke dag opnieuw. Zowel door wat je hebt gezaaid in iemands leven, als door de afstand die je elke dag opnieuw bevestigt, of door de manier waarop je praat over iemand. Zelfs door de manier waarop je een grens stelt of hebt gesteld. We kunnen (helaas?) niet ontsnappen aan de invloed die we op elkaar hebben. Invloed is geen illusie. Invloed is een gegeven. En daarmee een grote verantwoordelijkheid. Hoe ga ik met deze invloed om? Het schrijven van dit artikel heeft invloed op mensen die ik heb gekend. (Bestaat 'heb gekend' wel? Als ik iemand 'heb gekend' betekent dat niet dat ik die persoon dus 'ken'? En als iemand veranderd is in een periode dat we geen contact hadden, is 'kennen' dan ineens verleden tijd geworden? Vragen die wellicht niet iedereen zullen bezighouden. Mij wel. Dat zegt iets over mij. Maar wat zegt dat over mij? En wat zegt dat over de zuiverheid, oprechtheid waarmee ik deze derde laag heb betreden ...?) Het heeft invloed op mensen die ik niet ken. En waarschijnlijk op mensen die ik nooit zal kennen. Het niet schrijven of publiceren van dit artikel heeft ook invloed. Dus mag ik een artikel als dit wel schrijven? Wat doe ik iemand hiermee aan? Of is dat echt niet mijn verantwoordelijkheid? Of juist wel? Past het een mens niet meer om stil te zijn en te zwijgen? En de ander niet te verontrusten met mijn gedachten? Hoe weet ik of dit wat ik nu schrijf opbouwend, helpend of juist afbrekend is? Misschien brengt het wel verdeeldheid in een relatie waarvan de een mij begrijpt en de ander niet. Maar hoe weet ik of mijn zwijgen of mijn stilte opbouwt of afbreekt? Het voelt alsof ik een steeds grotere bescheidenheid moet combineren met een steeds grotere moed om deze vragen tegemoet te treden. De bescheidenheid van een diepgevoeld 'niet weten'. Een diep ontzag voor dat wat ik niet ken. En de moed om bijna onvoorstelbare risico's te nemen. Hier stuit ik op vragen waar ik nog geen antwoord op heb. Maar ik wil ze niet uit de weg gaan. Misschien kan ik deze laag alleen betreden als ik in mijn leven getraind wordt om echt eenzaam en alleen te zijn. En dan niet om te vallen. Niet terug te deinzen als het heel akelig eenzaam en spannend wordt. Als ik bereid ben gevangenschap te aanvaarden voor mijn overtuigingen. Een overtuiging is een diepgevoelde waarheid die je niet meer kunt ontkennen en waar je zoveel van houdt dat het je veel mag kosten. Misschien wel alles? Maar is dat wel gezond? Is dat niet extreem? Is dat niet doorgeslagen waanzin die los de realiteit staat? Of is loskomen van de 'realiteit' juist wat mijn geloof van me vraagt? Of in uitdaagt? Gelijk hebben is in de eerste laag goed aantoonbaar, maar soms ook de goedkoopste vorm van onschuld. We vragen ons niet af wat ons gelijk heeft aangericht, we houden het simpel bij de feiten en de spelregels. Het is deze laatste laag waar ik naar toe moest groeien en nog verder in moet groeien. Ik ben nog maar een beginner zoals je misschien leest. Een zoeker. Een verdwaalde vreemdeling. Het is in deze laag dat ik steeds scherper ga zien hoe makkelijk (of in ieder geval verleidelijk) het is om verbitterd te raken. En hoe moeilijk het is om vanuit naastenliefde, vergeving en genade te blijven reageren. Denken. Handelen. En niet vanuit eigenbelang. Verbittering is slim. Verbittering concludeert dat liefde een vergissing was en dat je beter niemand meer in je hart kunt toelaten. Liefde is naïef. En zoekt altijd naar het goede voor de ander. Ook als dat eenzame offers vraagt omdat het 'samen' met de ander niet meer bestaat. Liefde verlangt van nature naar ‘samen’, maar blijft altijd zoeken naar het beste voor de ander, ook wanneer ‘samen’ niet meer zichtbaar is of niet meer mag bestaan. Ik kan volkomen gelijk hebben, maar met mijn gelijk een spoor van ellende aanrichten. Liefde verzet zich tegen de verleidelijke verbittering. Ze weigert zowel de verbittering die mij wil verleiden als ook de verbittering die de ander in de toekomst zou kunnen verleiden. Bitterheid is wat mij betreft de grootste tegenhanger van liefde. Liefde zoekt het beste voor de ander in de toekomst. Liefde zoekt naar het beste slothoofdstuk voor elk verhaal. Een verhaal dat tot in lengte van jaren leven zal voortbrengen. Dat kan ook een eerlijk verhaal over falen, over fouten, over zonde zijn. Als het maar waar is.
Wat kan mij helpen om Liefde, Eerlijkheid en Bescheidenheid mijn gidsen te laten zijn? Mijn innerlijke kompas en de vuurtoren in de verte tegelijk. Liefde verbindt mijn innerlijke kompas met de vuurtoren verderop in de toekomst. Deze tekst is een eerste draft, een eerste opzet, en bevat geen AI. Je leest 100% mens. Dit zijn mijn gedachten, mijn gevoelens, mijn vragen, mijn conclusies.
0 Opmerkingen
[In bewerking. Versie 11-06-2026 21.59] Een kwetsbaar artikel in de eerste persoon. Misschien vind ik het moeilijkste van getraumatiseerd zijn nog niet eens de angst zelf. Niet eens de helse paniek. Niet het plotselinge wegzakken van de grond onder mijn voeten. Misschien ook niet eens het kinderlijk kwetsbare in mij dat in één ogenblik afschuwelijke scenario's voorziet die anderen niet zien. Misschien is het moeilijkste dat anderen dat kwetsbare nooit echt zien. Dat ik onzichtbaar ben. De mensen om mij heen zien de sterke kant. De rustige kant. De stabiele man die geleerd heeft om altijd overeind te blijven staan als iedereen omvalt. De persoon die altijd doorgaat, helder praat, vriendelijk blijft, verantwoordelijkheid draagt en ondertussen van binnen in totale paniek kan zijn. Gedissocieerd. Overlevend. Sterk aanwezig in de zorg voor de ander. Sterk afwezig met mijn eigen behoeften en mijn eigen grenzen omdat die niet gemiddeld zijn en daarom toch niet begrepen worden. Doordat de mensen om mij heen aan die sterke buitenkant gewend zijn geraakt, ontstaat er in iedere volgende levensfase weer een nieuw soort eenzaamheid. Op het moment dat ik iets probeer te laten zien van het eenzame, kwetsbare, bange, onbegrepen kind, past dat niet bij het beeld dat anderen van mij hebben. Dan roept juist dat wanhopige, dat verlorene, het echte en gewonde resolute afwijzing op. Onbegrip. Irritatie. Boosheid zelfs. Alsof ik zwelg in zelfmedelijden. Alsof ik uit mijn rol val. Maar ik val niet uit mijn rol. Mijn harnas valt uit elkaar en knalt op de grond. Ja, ik bén ook die rustig overkomende persoon. Die verantwoordelijke. Die nadenkende. Die dragende. Die rots in de branding. Die veilige haven. Ja, ik hou van je en wil het beste voor je. Echt. Geen twijfel over. Ik kruip naar de noordpool voor je als het moet. Maar ondertussen word ik gesloopt. En ben ik helemaal niet sterk. Vaker niet dan wel eerlijk gezegd. Zeker niet wanneer die eeuwige, eindeloze, altijd aanwezige en allesoverheersende angst alles overspoelt. En ook niet als mijn lichaam met lichtsnelheid reageert in vergelijking met mijn relativerende verstand. Mijn hartslag opgejaagd wordt. Mijn gedachten gieren. De herbelevingen door mijn hoofd flitsen. Mijn zenuwen lijken te exploderen. Niet als het kind in mij weer opnieuw vaststelt dat hij ten diepste altijd alleen is. Dat niemand mij eens komt helpen, dat niemand ziet wat er werkelijk gebeurt. Sterk zijn heeft totaal niets te maken met ontspannen zijn. Kalm overkomen staat volkomen los van rust. Communiceren heeft dan niets meer te maken met verbonden zijn. Ik kan rustig op een stoel zitten terwijl de zenuwen door mijn lijf gieren. Ik kan naar je glimlachen en je geruststellen terwijl ik snak naar adem. Ik kan jou redden terwijl ik verloren ga. Sterk zijn heeft totaal niets te maken met ontspannen zijn. Ik kan jou redden terwijl ik verloren ga. Dat maakt de pijn soms ondraaglijk. Kwellend. Tergend. Dat ik wel gezien wordt in mijn overlevingskracht, maar niet gezien in mijn nood. Dat mensen vertrouwen op mijn rustige uitstraling, terwijl ik van binnen snak naar iemand die even naast mij op de grond komt zitten. Niet om mij te beoordelen. Of te zeggen wat ik anders moet doen. Niet om mij te corrigeren of me duidelijk te maken dat ik mezelf weer de put in praat. Niet om me terug te duwen in het beeld dat voor hem of haar vertrouwd of prettig is. Maar om even te laten voelen: ik zie je. Ik huil om jou. Ik zie de sterke volwassen man die zoveel draagt, en ik zie ook de kleine jongen in grote wanhoop en paniek. Ik zie de held. En ik zie het slachtoffer. Ik zie je fouten. Maar ik ken je hart.
Wat een rijkdom toen ik iemand ontmoette die beide kanten aanvaardde. Die zich niet irriteerde aan mijn kwetsbaarheid en niet schrok van mijn 'onredelijke' paniek. Omdat diegene dit zelf ook maar al te goed kende. Iemand die wist dat mijn paniek helemaal niet onredelijk is omdat veel te vaak wel gebeurde wat ik al voorzag. Iemand die begreep dat mijn diepste angst precies daar zit waar anderen mijn rust denken te zien. Iemand die uit eigen ervaring wist hoe indrukwekkend overleven er aan de buitenkant uitziet, maar hoe verrot eenzaam en kwellend het van binnen is. Ik verwachtte geen oplossing van je. Je hoefde alleen maar met de ogen van je hart te kijken. Jouw blik veranderde iets. Dankjewel nog. Ik bewaar die als een kostbare foto in mijn hart. Het bestaat. Ik ben gezien. Ik zag jou ook. Laat het nooit wegroven, hou het vast. Dat kunnen we. Dat hebben we wel geleerd. Blijf altijd leren en ontdekken hoe je zuinig op je zelf kunt zijn. Deel het meest kwetsbare van jezelf alleen daar waar je én weet én voelt dat het echt veilig is. Niet alleen weten. Niet alleen voelen. Zorg dat je het zowel weet als voelt. Veiligheid voor alles. Dat is meestal maar bij een heel klein clubje mensen om je heen. De enkelingen. Dat is voor ons die met trauma's moeten leven een lang leerproces. Dat duurt jaren. Dat is niet anders. Ik droeg een paar dagen geleden mijn kleindochter van drie over een groot kampterrein. Haar moeder, mijn dochter dus, liep naast me. Onder de grote sterrenhemel legde ik mijn kleindochter uit dat mama vroeger ons kindje was. En opa en oma haar papa en mama. En dat we dat altijd blijven. Opa is ook een papa. En mama is ook een kindje. Ze zuchtte even en was er een poosje stil van. Ze liet zich met haar hoofd op mijn schouder rustig verder dragen en vroeg toen: ‘Maar ... waarom kán dat opa … ?’ Ik vond dat zo'n prachtige vraag. Niet: ‘hoe kan dat’ of: ‘waarom is dat’, maar: ‘Waarom kán dat, opa … ?’. Daar had opa ook geen antwoord op. En mama ook niet. We waren er alledrie verwonderd over. En dat ben ik dankzij haar vraag nog steeds. Waarom kán dat, opa … ? Een gouden momentje. Ingelijst in mijn hart en hier in mijn schrijfatelier. Gepubliceerd op LinkedIn op 1 mei 2026 Veel organisaties willen of moeten iets met neurodiversiteit, inclusie en talentgericht werken. Dat is mooi. Het zijn belangrijke thema’s. Tegelijk zie ik in de praktijk vaak een kloof ontstaan tussen de mooie taal van beleid en de dagelijkse werkelijkheid van samenwerken. Op papier wil bijna iedereen ruimte geven aan verschillende manieren van denken, communiceren, waarnemen, besluiten nemen en problemen oplossen. In de praktijk verwachten we vaak nog steeds dat mensen ongeveer functioneren zoals wij zelf functioneren. Of zoals de organisatie dat nu eenmaal gewend is. Dat wordt vooral zichtbaar in directieteams. Juist daar, waar beslissingen worden genomen over cultuur, strategie, leiderschap en personeel, spelen verschillen in persoonlijkheid, intelligentie, interesses, tempo, gevoeligheid en communicatiestijl vaak een enorme rol. Alleen worden die verschillen meestal pas besproken als ze frictie opleveren. Iemand is te voorzichtig. Iemand anders te dominant. De een wil eerst nadenken. De ander wil doorpakken. De een voelt de onderstroom in een team. De ander ziet vooral het systeem, de cijfers of de technische oplossing. Voor je het weet, worden zulke verschillen moreel uitgelegd: hjj is altijd traag. Zij is gewoon bot. Hij werkt chaotisch. Zij is veel te conflictvermijdend. Hij is te gevoelig. Zij denkt alleen maar in structuren. Meestal is dit geen onwil of gebrek aan professionaliteit. Vaak gaat het om verschillende talentprofielen met daarbij behorende werk- en communicatiestijl die elkaar nog niet goed verstaan. Dat is volgens mij een van de meest onderschatte punten in het gesprek over neurodiversiteit en talentmanagement. We praten graag over inclusie als iets wat organisaties moeten bieden aan 'andere' medewerkers. Het is echter de vraag of directies en managementteams zelf wel voldoende zicht hebben op hun eigen verschillen. Want hoe kun je als organisatie neuro-inclusief leidinggeven, als de mensen die leidinggeven hun eigen denkstijlen, gevoeligheden, blinde vlekken en talentverschillen nauwelijks kunnen onderscheiden? In mijn werk met teamassessments, vaak bij directies van familiebedrijven, begint het daarom niet met een training over inclusie. Het begint met eerst eens in de spiegel kijken. Heel eerlijk kijken. Alle leden van een directieteam doen individueel een uitgebreid talentassessment. Ze zijn een hele dag bij ons te gast voor uitgebreide tests en metingen. We bestuderen persoonlijkheid, interesses, capaciteiten, verbale en performale sterktes op allerlei gebieden, werkstijl, motivatie, gevoeligheden en ontwikkelpunten. De aanwijzingen die daarin zitten voor de unieke 'bedrading' van ieders brein. Hoe neem je waar? Waar focust jouw brein zich automatisch op? Wat filtert jouw brein automatisch 'weg'? Wat verklaart dat over jouw succes en over jouw bloopers? Wat verklaart dat over jouw voorkeuren, over mensen met wie je makkelijk samenwerkt en 'klikt'? Maar ook over jouw irritaties en stemming? En over jouw natuurlijke leiderschapsstijl? En waarom sommige stijlen een kunstje worden en niet meer authentiek en overtuigend zijn. Daarna bespreken we per persoon uitgebreid het rapport. Niet als oordeel, maar als herkenning, als bevestiging. Als een nieuwe gemeenschappelijke taal voor neurodiversiteit. Als een wetenschappelijk onderbouwde manier om beter te begrijpen waarom iemand doet wat hij doet, waar iemand op floreert en waar iemand juist onnodig vastloopt. Pas daarna komt het team samen. Hoe ben jij 'bedraad'? Waar focust jouw brein zich automatisch op en wat filtert jouw brein snel weg? Wat zegt dat over jou als leider? En dan gebeurt er vaak iets moois. In een teampresentatie worden de verschillen zichtbaar gemaakt. Niet zwaar of ingewikkeld, maar op een manier die herkenning oproept. Soms ook veel gelach. Bijvoorbeeld wanneer we kijken naar extraversie en introversie. Dan wordt ineens duidelijk wie in het team vooral op de introverte planeet woont, wie op de extraverte planeet, en wie zich ergens tussen beide werelden beweegt. Wie stressbestendig overkomt en wie het ook echt is. Wiens brein meestal geneigd is uit te zoomen op the big picture en wiens brein snel inzoomt op details of oplossingen. Een extraverte directeur ontdekt dat zijn introverte collega niet ongeïnteresseerd is, maar anders verwerkt. Een introverte bestuurder ontdekt dat zijn extraverte collega niet oppervlakkig is, maar hardop denkt. Iemand met veel altruïsme blijkt conflicten niet te vermijden uit zwakte, maar omdat hij bijna niet anders kan dan harmonie en relationele veiligheid creëren. Iemand met een sterk praktisch of technisch inzicht blijkt niet bot te zijn, maar ziet nu eenmaal sneller creatieve oplossingen. Zodra mensen dat van elkaar gaan zien, veranderen de verwachtingen. En realistisch afgestemde verwachtingen voorkomen teleurstellingen in elkaar. Je hebt meer aan een goed realistisch beeld van jezelf en elkaar dan aan goede intenties. Als je van een introvert niet meer verwacht dat hij zich extravert gedraagt, ontstaat er ruimte. Als je van een zeer zorgvuldige denker niet meer verwacht dat hij onmiddellijk reageert, komt zijn kwaliteit beter tot zijn recht. Als je van een sterk relationeel ingesteld teamlid niet meer vraagt om de harde confrontatie te zoeken op een manier die niet bij hem past, maar wel leert zien hoe hij met zijn altruïsme en empathie mensen in beweging zet, krijgt zijn gevoeligheid een andere waarde. Voor mij is een goed team niet een groep mensen die allemaal ongeveer hetzelfde kunnen. Een goed team is een groep mensen die weet waar ze elkaar nodig hebben. Ik gebruik daarbij vaak het beeld van een puzzelstuk. Een puzzelstuk heeft uitsteeksels en inkepingen. Zo is het ook met talent. We hebben allemaal dingen waarin we 'uitstekend' zijn, waarmee we iets te bieden hebben. Daar mogen we zichtbaar mee zijn. Maar we hebben ook inkepingen. Dingen die ons minder vanzelfsprekend afgaan. Blinde vlekken. Onhandigheid. Gebieden waar we niet de beste persoon voor zijn. En juist daar kunnen de uitsteeksels van een ander passen. Je talentprofiel is een puzzelstuk: je hebt dingen waar je 'uitstekend' in bent en je hebt 'inkepingen' waar je het talent van de ander nodig hebt. Dat vraagt wel volwassenheid. Je moet kunnen zeggen: dit is mijn kracht, maar hiervoor moet je niet bij mij zijn. Ik kan me daar beter niet mee bemoeien, daarvoor moet je echt bij mijn collega zijn. Die ziet meestal veel sneller de technische oplossing. Die voelt veel beter wat er relationeel speelt. Die kan beter schilderen met woorden. Die ziet patronen in cijfers die ik nooit zou zien. Die brengt rust in chaos, terwijl ik altijd iedereen opjaag. Die durft de commerciële stap te zetten waar ik blijf analyseren. Die bewaakt de structuur zodat wij op kunnen gaan in het moment. Die hoort wat onder de woorden ligt terwijl ik alles letterlijk neem.
Als een directieteam dat leert, verandert er iets in de samenwerking. Niet omdat iedereen ineens aardig tegen elkaar doet, maar omdat verschillen bruikbaar worden. Misverstanden worden minder persoonlijk. Irritaties worden vaker vertaald naar inzicht. En kwaliteiten die eerder als lastig werden ervaren, blijken soms precies datgene te zijn wat het team nodig had. Daar ligt voor mij een heel concrete vertaling van neuro-inclusief werken. Niet beginnen met grote woorden over diversiteit, maar met de vraag: begrijpen wij eigenlijk hoe verschillend wij zelf zijn en functioneren? Niet alleen kijken naar medewerkers met een diagnose, label of bijzonder profiel, maar naar het hele systeem van verwachtingen waarin mensen dagelijks met elkaar werken. Neurodiversiteit gaat niet alleen over de vraag hoe we ruimte maken voor mensen die afwijken van de norm. Het gaat over het boven water halen van normen die we stiekem of onbewust aan onszelf en de ander opleggen. Het realistisch bijstellen van eisen, idealen en verwachtingen is misschien wel de kern van neuro-inclusiviteit. In de boardroom begint dat met zelfkennis. Wie ben ik in dit team? Waar ben ik sterk in? Waar vul ik anderen aan? Waar verwacht ik misschien te gemakkelijk dat anderen werken zoals ik werk? Welke verschillen in ons team zijn lastig omdat we ze nog niet goed begrijpen? En welke verschillen kunnen juist onze grootste gezamenlijke kracht worden? Veel organisaties hebben inmiddels een visie op inclusie. Dat is mooi. Maar visie wordt pas praktijk wanneer mensen elkaars binnenwereld en ook elkaars gedrag beter gaan begrijpen. Daarom begint neurodiversiteit niet bij beleid. Het begint bij jullie. Aan de directietafel. Aan de slag. Het is nog leuk ook. Gepubliceerd op LinkedIn op 9 mei 2026 In de afgelopen drie jaar zie ik het aantal artikelen op internet (LinkedIn, Facebook, Substack, etc.) enorm toenemen. Meer dan de helft van deze artikelen is vrijwel zeker grotendeels door AI geschreven. Je herkent ze aan een structuur zoals (bijvoorbeeld) deze:
En dit is meestal de schrijfstijl:
Hieronder een voorbeeld van hoe AI van een willekeurig onderwerp als 'friet' in 2 of 3 seconden een oorstrelende levensles kan maken. Bedenk daarbij dat dit de tekst is van een machine. [AI TEKST OVER FRIET] Friet is geen bijgerecht. Het is een les in leiderschap. We denken vaak dat friet simpel is. Aardappel. Olie. Zout. Klaar. Maar wie goed kijkt, ziet iets anders. Goede friet vraagt aandacht. Niet te dik. Niet te dun. Niet te slap. Niet te hard. Het geheim zit niet in snelheid, maar in timing. Eerst voorbakken. Dan wachten. Dan afbakken. Dat geldt ook voor mensen. We willen vaak direct resultaat. Snelle groei. Meetbare output. Een knapperige buitenkant. Maar echte ontwikkeling vraagt tijd. Niet harder duwen, maar beter afstemmen. Niet sneller presteren, maar zorgvuldiger voorbereiden. Niet meer druk, maar de juiste temperatuur. Want talent werkt net als friet. Onder te weinig warmte gebeurt er niets. Onder te veel warmte verbrandt het. In de juiste omstandigheden wordt het goud. Dus misschien is de vraag niet: “Hoe krijgen we mensen sneller productief?” Maar: “Welke temperatuur heeft iemand nodig om tot zijn recht te komen?” Daar begint goed leiderschap. En misschien ook gewoon goede friet. Deze tekst is puur machinaal, wiskundig berekend. In dit geval een beetje lachwekkend. AI heeft totaal geen idee wat het zegt, maar het heeft berekend hoe het een lezer of luisteraar kan 'betoveren', zijn aandacht kan vangen. Het griezelige is dat het ditzelfde ook kan met de meest persoonlijke, emotionele onderwerpen en zelfs met Bijbelse waarheden. Laten we het onderwerp 'Identiteit' nemen. Dit is wat AI daar in 2 seconden over kan ophoesten zonder te weten, voelen of begrijpen wat het zegt: [AI TEKST OVER IDENTITEIT] Identiteit is geen masker. Het is een reis naar binnen. We denken vaak dat identiteit simpel is. Naam. Rol. Werk. Karakter. Klaar. Maar wie goed kijkt, ziet iets anders. Voor Jung was identiteit geen visitekaartje. Niet alleen wie je bent. Niet alleen wat je doet. Niet alleen wat anderen zien. Niet alleen het verhaal dat je zelf graag vertelt. Het geheim zit niet in aanpassen, maar in worden. Eerst persona. Dan schaduw. Dan Zelf. Dat geldt ook voor volwassen worden. We beginnen vaak aan de buitenkant. Met verwachtingen. Met rollen. Met wat hoort. Met hoe we gezien willen worden. Maar echte identiteit vraagt diepte. Niet alleen presteren, maar luisteren. Niet alleen sterk zijn, maar eerlijk worden. Niet alleen jezelf presenteren, maar jezelf ontmoeten. Want de mens werkt bij Jung niet als een profiel. Meer als een huis met kamers. In de ene kamer woont je persona. Daar ontvang je de wereld. In een andere kamer woont je schaduw. Daar liggen de dingen die je liever niet ziet. En ergens dieper in het huis klinkt iets van het Zelf. Niet als ego. Niet als ideaalplaatje. Maar als richting. Dus misschien is de vraag niet: “Wie wil ik zijn?” Maar: “Welke delen van mij heb ik nog niet willen ontmoeten?” Daar begint volgens Jung individuatie. En misschien ook gewoon volwassen identiteit. Leg ze naast elkaar en je snapt wat ik bedoel. Het is allebei volkomen 'zielloze' tekst. Letters die door een wiskundige formule in een voor mij aantrekkelijke, overtuigende volgorde zijn gezet. Er zit geen worsteling, geen levenservaring, geen zoektocht achter. Maar het klinkt verdacht goed, herkenbaar en overtuigend.
Dit voorbeeld is de meest simpele en herkenbare vorm van AI tekstgeneratie. AI kan ook steeds beter de tekstopbouw en schrijfstijl aanpassen aan degene die de tekst publiceert, aan een bepaalde cultuur, normen, waarden, omgangsvormen, etc. Het kan wetenschappelijk schrijven, maar ook artistiek, boekhoudkundig, juridisch, therapeutisch, commercieel, etc. Daardoor wordt het steeds lastiger om echt geschreven teksten te onderscheiden van AI teksten. AI weet zich steeds beter te 'vermommen' als een persoon en kopieert desgewenst de schrijfstijl van iemand. Ben ik tegen AI? Niet perse. Ik maak er zelf ook vrij intensief gebruik van bij het analyseren en samenvatten van data. Maar ik zie met beetje lede ogen toe hoe bijvoorbeeld LinkedIn volloopt met artikelen die met een voorspelbare structuur en schrijfstijl elk willekeurig standpunt over een belangrijk onderwerp verdedigen of promoten. Laten we alsjeblieft kritisch blijven denken bij alles wat we lezen en schrijven. Ook hier in mijn schrijfatelier. En als je zelf schrijft: blijf alsjeblieft eerlijk worstelen met woorden, zinnen, gevoelens, analyses, conclusies. Laten we de machine weigeren die de schrijfworstelingen van ons wil overnemen met oog- en oorstrelende woorden en teksten die niet uit ons hart maar uit een rekenmachine komen. En mocht je je afvragen: is dit echt Matthijs die dit schrijft of is dit ook AI? Dit ben ik. 100%. Behalve dan wat in de blauwe tekstvakken staat. Vandaag naast De Oude Bank. Ja, ik heb Koningsdag met een paar van mijn geliefden in Sliedrecht doorgebracht ;-). Een meisje van een jaar of 10 spreekt me aan. 'Meneer, wilt u een complimentje hebben? Ze zijn helemaal gratis!' Nou, die kan ik best gebruiken dus ik mag mee naar de grabbelton. Ik grabbel langzaam en echt goed, en haal mijn compliment naar boven. Een mooi groen briefje met een sticker er op. En met mooie viltstiftletters: 'Je haar zit leuk!' Ik lees het voor. Het meisje kijkt me een beetje geschrokken met grote ogen aan. Ik heb geen pet op dus mijn kale knar glimt stralend in de zon. Ik had hem vanochtend extra goed geschoren met mijn scheermes. Het is tenslotte Koningsdag. Ik kijk haar ook een beetje geschrokken aan want ik zie dat ze hier niet over had nagedacht. Je moet tegenwoordig als compliment-verkoper ook met alles rekening houden zeg. Dan moeten we allebei hard lachen.
'Ik mag vast nog een keer want deze was natuurlijk voor iemand anders, haha.' 'Ja, u mag nog een keer hoor!' Ik grabbel nu echt op mijn allerbest, met al mijn vermogen, en ik vis er deze keer een blauw briefje uit. De meest mannelijke kleur. Lijkt me veilig. Nu geen viltstiftletters, maar met een blauwe pen: 'Je bent leuk!' Met een getekend bloemetje ernaast. Die is overtuigend. Ik vind mezelf ook ineens weer leuk. Dus ga ik ook leuk doen. 'Mag ik jou ook een compliment geven?' vraag ik. Dat mag. Ze gaat er voor staan als een snoepverkoper die zelf een pepermuntje aangeboden krijgt door een klant. Haar handen in de zij. 'Jij bent de beste compliment-verkoper van Sliedrecht' zeg ik. Ze knikt goedkeurend. Dat is geen slecht compliment voor een kale leek in het vak. 'Ja. Heel goed. Dankuwel meneer!' 'Nou, jij ook bedankt; ik neem mijn compliment mee hoor. Daag!' 'Daag meneer! Veel plezier ermee!' Dat was een mooie ontmoeting tussen twee professionele compliment-verkopers. En ik heb nu al plezier van mijn gratis compliment. Ze heeft het leuk gedaan. En ik eigenlijk ook wel ... ;-)
Waarom je elkaar soms misloopt terwijl je allebei verbinding zoekt
[In bewerking. Versie 29-04-2026 11.15] Het was een belangrijk gesprek voor je. Niet zomaar een praatje tussendoor, maar zo’n gesprek waar je van tevoren goed over hebt nagedacht. Je had je woorden zorgvuldig gewogen. Je wilde je integer en zonder oordeel opstellen. Openhartig, maar met gepaste grenzen. En eerlijk is eerlijk: toen je naar huis reed, had je het gevoel dat het best goed was gegaan. Het was een mooi gesprek. Jullie hadden zelfs even gelachen, dingen uitgesproken, elkaar aangekeken, misschien even gezwegen. Dankbaar! En een terecht klein schouderklopje voor jezelf.
Maar de volgende dag kreeg je een appje. Het maakte meteen duidelijk dat de ander het gesprek toch heel anders had beleefd. Dat het voor hem of haar ongemakkelijk was geweest. Te intens misschien. Te scherp. Te veel. Of juist te afstandelijk. En terwijl jij dacht dat jullie dichterbij waren gekomen, bleek de ander zich niet helemaal gezien, niet begrepen of zelfs onveilig te hebben gevoeld. Heel verwarrend. Wat gebeurt hier? Misschien hebben jullie allebei een andere 'verbindingsstijl'. Wat is dat en hoe kan inzicht hierin je helpen in situaties waarin verbinding verwarrend wordt? Daarover gaat dit artikel. Een eigen stijl van verbinding Elk kind zoekt onbewust naar een 'veilige' verbinding met de ander. In het contact met je vader, moeder, opvoeders, broertjes, zusjes, familie en vriendjes leer je hoe dat werkt. Degenen die jou opvoeden zijn sleutelfiguren in de vorming van jouw verbindingsstijl. Juist van hen leer je hoe je bij iemand 'binnenkomt', 'aanhaakt'; hoe je 'aansluiting' vindt of met iemand een 'lijntje legt'.
Zo ontstaan verbindingsstijlen. Niet als een bewust gekozen strategie, maar als een onbewust aangeleerde stijl om in het contact met de ander steeds dat haakje te vinden dat de communicatie, de sfeer goed houdt. Want dat is veilig. Een kind voelt: zo maak ik verbinding, zo leg ik een lijntje, zo krijgen we contact, zo raak ik de ander niet kwijt en zo kan ik het verloren contact weer 'oppakken'. En wat werkt, gaan we herhalen. En wat je vaak herhaalt, wordt vertrouwd. En gaat vanzelf bij je horen. Voor je het weet noemt iedereen het je 'karakter', terwijl het misschien meer iets is dat je gaandeweg ontdekte in het leven. Zo werkt het. Verbindingsstijl, hechtingsstijl en communicatiestijl Een verbindingsstijl is dus wat anders dan een hechtingsstijl of communicatiestijl. Een verbindingsstijl is de vroeg aangeleerde manier waarop je in een concrete ontmoeting met de ander nabijheid probeert te maken, te checken, te bewaren of te herstellen. Je zou kunnen zeggen: het is een specifiek instrument in de toolbox van je communicatievaardigheden, maar wel gaandeweg ontstaan in je hechtingsgeschiedenis. Je communicatiestijl gaat over hoe je communiceert (zenden, ontvangen, luisteren, verbaal, nonverbaal, passief, actief, direct, indirect). Je hechtingsstijl gaat over hoe veilig nabijheid voor je voelde in de hechting met je primaire opvoeders en hoe je daar in je verdere leven mee omgaat (veilig, angstig, vermijdend, verwarrend). Je verbindingsstijl zit daar precies tussenin: het is jouw vertrouwde haakje om heel concreet nu in dit gesprek, in deze ontmoeting de verbinding tot stand te brengen, te checken of die verbinding nog goed is, te onderhouden en zonodig te herstellen of repareren. Zowel het tot stand brengen als het checken, onderhouden en herstellen gebeurt door micro-interventies: een glimlach, een bevestigend knikje, oogcontact, gezichtsuitdrukking, een klein gebaar, koffie aanbieden, een mop vertellen, even stil zijn, een onderwerp inbrengen, etc. Getraumatiseerde mensen zijn heel gevoelig voor deze micro-interventies van de ander. Traumasensitieve personen zetten deze micro-interventies bewust of onbewust in om het contact voor de ander veilig te maken. Ik zie vanuit mijn praktijkervaring aanwijzingen dat stellen die dezelfde verbindingsstijl hebben en concreet continu hun relatie 'onderhouden' of 'repareren' met deze micro-interventies een langere en duurzamere relatie met elkaar kunnen opbouwen dan mensen die een verschillende verbindingsstijl hebben of deze kleine 'reparaties' achterwege laten. Op een gegeven moment is het contact dan op zoveel kleine stukjes 'beschadigd' dat het als onherstelbaar voelt. En soms ook onherstelbaar is. Onveilig gehechte mensen voelen zich sneller onzeker over de verbinding. Zij zullen deze daarom vaker checken en voorzichtig proberen het lijntje te herstellen, of juist (tijdelijk) afstand nemen als de verbinding te intens wordt. Het is voor hen veel harder werken dan voor mensen die veilig gehecht zijn. Onveilig gehechte mensen zullen daarom vaker hun verbindingsstijl met de daarbij behorende micro-interventies moeten inzetten voor kleine 'checks' of 'reparaties' van de lijn. Zij lopen relationeel altijd meer op eieren en dat kost veel energie. Dit kan zelfs tot uitputting leiden in complexe relationele situaties. Veilig gehechte mensen hebben afhankelijk van hun persoonlijkheidsprofiel een specifieke verbindingsstijl die ze vrijwel overal inzetten of juist een breder scala aan verbindingsstijlen. De specifieke verbindingsstijl zie je vooral bij stabiele, meer robuuste persoonlijkheden (nuchter, behoudend, gestructureerd). Zij maken overal op hun eigen manier verbinding. Plastische en meer dynamische persoonlijkheden (gevoelig, extravert, open-minded, creatief) hebben soms meerdere haakjes voor verbinding en kunnen soms beter aansluiten bij uiteenlopende verbindingsstijlen van anderen. Opvallende verbindingsstijlen In de afgelopen 35 jaar heb ik veel mensen mijn kamer, een teamsessie, een intakegesprek of een wachtruimte zien binnenlopen. En verbinding met mij en anderen zien maken. Allemaal met een eigen, unieke verbindingsstijl. Ik heb er al schrijvend een aantal op een rij gezet, maar er zijn er natuurlijk nog veel meer. Dit is geen wetenschappelijk onderbouwd overzicht, het komt niet uit een theoretisch model. Voor zover mij bekend is er (nog) geen psychologisch model op het gebied van verbindingsstijlen, al raakt het natuurlijk diverse theorieën over hechting, interpersoonlijke relaties, coping en communicatie. Het is wat mij gaandeweg is gaan opvallen in mijn werk als psycholoog.
Natuurlijk zijn er nog veel meer: verrassen (onverwachte wendingen aan een gesprek geven), shockeren (iets heftig als een bommetje laten vallen), kadootjes geven (letterlijk of figuurlijk), druk zijn (werken), interesse tonen in een voorwerp van de ander ('hé, dat is een mooie foto'), iets concreets tonen (bijv. op een mobiel), fysieke aanraking, etc. etc. Niemand heeft slechts één verbindingsstijl. We maken allemaal een eigen combinatie van meestal twee of drie voorkeursstijlen is mijn indruk. Zo kun je tegelijkertijd de 'uitdagende analist' zijn, de 'mopperende grappenmaker' en zelfs de 'harmoniserende, pratende zorger'. Onder druk zie je mensen vaak hun meest beproefde verbindingsstijl inzetten en de meest opvallende 'reparatie-interventies'. Elke verbindingsstijl heeft een eigen logica en een eigen ontwikkelingsgeschiedenis waarin deze stijlen als de best passende boven kwamen drijven. 'Best passend' is de optelsom van:
Om deze reden zijn we allemaal extreem vergroeid met onze eigen verbindingsstijl. Deze is duizenden of misschien wel tienduizenden keren subtiel en onbewust bevestigd als de veiligste, meest effectieve manier om contact te maken. Of te checken. Of te repareren. Of te behouden. Op deze manier, met deze sociale micro-interventies, kreeg je de optimale mix van afstand en nabijheid. Om die reden zijn we onbewust erg overtuigd geraakt van onze eigen stijl: het heeft jaren geduurd om dit (onbewust) te ontdekken en (ook onbewust) te ontwikkelen. Zelfs de stille waarnemer is er (ook weer onbewust) diep van overtuigd dat je het best niets kunt zeggen en altijd moet wachten. Elke stijl heeft iets moois. De helper ziet wat de ander nodig heeft. De analist kan helderheid brengen. De grappenmaker maakt het zware wat lichter. Van de stille waarnemer kunnen we leren dat je soms beter niets kunt zeggen. En de mopperaar helpt ons om onze irritaties te verwoorden. Maar een stijl die jou als kind gaandeweg hielp je te verbinden met de ander, kan later in je leven ook ingewikkeld worden als je verbinding zoekt met iemand die een andere verbindingsstijl heeft. Of iemand anders met jou. Soms staan de verbindingsstijlen van twee mensen haaks op elkaar. Dan ontstaat er een ongelijke dans. Jouw micro-interventies, jouw bewegingen, sluiten niet aan bij de bewegingen van de ander en de micro-interventies die de ander ondertussen probeert te doen. Dan is er geen 'sync'. Je werkt elkaar onbewust juist tegen. De ongelijke dans Dat merk je bijvoorbeeld wanneer je als analist verbinding zoekt, check of herstelt met een harmonisator. Als analist ervaar je een goed, licht schurend gesprek als nabijheid. Samen denken, elkaar bevragen, aanscherpen, tot de waarheid helderder wordt. Voor jou als analist is dit een uiting van zorg of liefde: ik neem jou echt serieus, dus ik denk diep met je mee. Als analist zoek je (onbewust) naar intellectuele wederkerigheid. Dat is 'contact', heb je vroeg geleerd. Dit soort gesprekken laat in de cockpit van je binnenwereld een groen lampje branden. Maar de harmonisator kan datzelfde gesprek met jou totaal anders beleven. Die voelt niet zozeer de inhoud, als wel de spanning, de toonzetting en de verschillende perspectieven. Word ik echt begrepen? Voelt de ander zich door mij begrepen? Verwacht de ander nu iets van mij? Mag ik tegenspreken zonder dat dit de verbinding beschadigt? Dus de harmonisator glimlacht, knikt, verzacht en beweegt mee. Niet omdat hij het overal mee eens is, maar omdat veiligheid, respect en emotionele wederkerigheid voor de harmonisator veel belangrijker zijn dan argumentatie, samen sparren of waarheidsvinding. Intellectueel schurend sparren laat bij de harmonisator juist een rood lampje branden in de innerlijke cockpit. Zo ontstaat de ongelijke dans. De een denkt: we komen dichterbij. De ander voelt: ik raak mezelf kwijt. De een zoekt waarheid. De ander zoekt harmonie. Ze doen allebei hun best om verbinding te maken, maar maken daarbij andere 'bewegingen' die niet synchroon in elkaar overlopen. Ze werken elkaar tegen. Een ander soort ongelijke dans kan ontstaan tussen een helper en een probleemdrager. Op het eerste gezicht lijken hun stijlen prachtig op elkaar aan te sluiten. De probleemdrager komt met nood, strijd of verwarring. De helper komt met aandacht, zorg en oplossingen. Allebei voelen ze: dit is verbinding. Jij hebt mij nodig en ik kan iets voor jou betekenen. Maar juist omdat de stijlen zo goed op elkaar passen, kunnen ze elkaar ook gevangen gaan houden. De druk op de helper om het probleem van de ander op te lossen wordt steeds groter. En de druk op de probleemdrager om telkens weer een nieuw probleem voor te leggen, wordt ongemerkt ook groter. Want zonder probleem lijkt de ingang tot nabijheid even kwijt. Zo kan de probleemdrager, hoe vreemd dat misschien klinkt, door problemen te blijven brengen óók voor de helper zorgen. Want zolang er iets op te lossen valt, heeft de helper een plek. Dan is helpen geen vrije keuze meer, maar een strik. En nood geen eerlijke vraag meer, maar een toegangsbewijs tot contact. De helper raakt uitgeput. De probleemdrager blijft afhankelijk. En allebei kunnen ze denken dat ze verbinding maken, terwijl ze vooral elkaars veilige pad bevestigen. Het veilige pad van de ander leren zien Hoe kwetsbaarder de onderwerpen die je met iemand bespreekt en hoe vertrouwelijker je met iemand omgaat, hoe groter de impact van een ongelijke dans in verbindingsstijlen. En hoe onveiliger je gehecht bent, hoe meer paniek, verlatingsangst of verwarring een ongelijke dans kan geven. En ook: hoe introverter, empathischer en gevoeliger je zelf bent, hoe meer pijn of spanning je voelt als de verbindingsstijlen niet synchroon lopen. Volwassen verbinding in relationeel complexe situaties (crises, huwelijksproblemen, verstoorde werkrelaties, etc.) vraagt daarom veel zelfreflectie en bewustwording van je eigen verbindingsstijl. Niet: zo ben ik nu eenmaal en hier moet je het maar mee doen. Maar: zo heb ik geleerd dichtbij te blijven en zo heb ik geleerd de verbinding te herstellen. En dit beleef ik als nabijheid en dat beleef ik juist als afstand. En ik wil er voor open staan dat jouw irritante of voor mij ongepaste tegenbewegingen misschien wel jouw beste poging zijn om veilig contact met mij te leggen. Dat kan ik op zijn minst proberen te zien, te begrijpen en te waarderen. Dan hoeft de prater niet opeens te stoppen met praten, maar mag hij wel leren luisteren naar de taal en de verbindingsstijl van de stille waarnemer of de harmonisator. De helper hoeft niet te stoppen met zorgen, maar mag wel wat de ander geeft leren ontvangen. De harmonisator hoeft zijn inzet voor harmonie niet op te geven, maar mag ontdekken dat echte vrede niet ontstaat als je zelf steeds moet verdwijnen. En de analist hoeft zijn scherpte niet op te geven, maar mag leren dat gelijk krijgen iets anders is dan iemand bereiken. Het geeft hopelijk wat rust als je aan de hand van deze inzichten kunt begrijpen wat er soms mis gaat in de verbinding. Een verbindingsstijl is niet goed of fout. Het is je meest vertrouwde, veilige en snelste weg naar verbinding. Maar volwassen worden betekent misschien beseffen en steeds meer leren zien dat anderen een ander vertrouwd paadje hebben ontdekt. Soms wacht de ander niet aan het einde van mijn vertrouwde paadje. Soms verschijnt hij pas waar ik het veilige pad van de ander begin te zien, te begrijpen en te respecteren. Ik hoop dat mijn waarneming en mijn verwoording daarvan je mag helpen om in die ene belangrijke situatie met jezelf en met de ander in verbinding te blijven. Of de verbinding te herstellen. Of die ander iets beter te begrijpen. Of jezelf ... dat kan ook erg helpend zijn!
Disclaimer: dit is geen gevalideerd wetenschappelijk model en ook geen diagnostische indeling. Het is mijn eigen praktijktaal voor iets wat ik in de loop van de jaren vaak ben gaan zien. Voor zover mij bekend bestaat er geen psychologisch model dat precies deze naam, indeling en invalshoek gebruikt. Tegelijk raakt het natuurlijk aan bekende ideeën uit de hechtingstheorie, systeemtherapie, schematherapie en vooral aan het werk van Virginia Satir over communicatiestijlen onder spanning. Zie het dus niet als een etiket, maar als een uitnodiging tot zelfonderzoek: hoe heb jij geleerd om verbinding te zoeken wanneer nabijheid belangrijk of spannend wordt?
Vragen voor zelfreflectie
[In bewerking. Versie 30-05-2026 23.34] Misschien komt het doordat ik nu 58 ben en sinds enkele jaren net als andere mannen van mijn leeftijd de liefste kleinkinderen heb, maar ik merk dat ik steeds gevoeliger word op het taalgebruik binnen mijn vakgebied. Er vallen mij dingen op die me jaren geleden niet opvielen. Ik word geraakt door online analyses en online uitspraken van therapeuten, coaches die me vroeger minder zouden raken. Misschien komt het ook doordat ik jarenlang erg intensief met mensen heb opgetrokken. Met mensen die wanhopig zochten, zich tot in het extreme hadden aangepast, bleven hopen, bleven verlangen, of zich juist hadden verhard, zich schaamden voor hun kwetsbaarheid of juist bang waren die kwijt te raken. Mensen die mij hebben geleerd anders te kijken. En anders te luisteren. Niet alleen naar wat iemand lijkt te zeggen, maar ook van waaruit het gezegd lijkt te worden. En wat het gezegde met anderen lijkt te doen. En met mijzelf. De mensen met wie ik sprak hebben mij veel meer bewust gemaakt van de toon, de bron van waaruit iemand lijkt te praten, de warmte, het oordeel of het respect dat erin doorklinkt. En misschien komt het gewoon door hoe ik vanaf mijn kindertijd al 'bedraad' ben met mijn gevoelige en artistieke aard. En: ik ben ongetwijfeld ook stap voor stap anders gaan kijken naar de invloed van onze tijdgeest op nieuwe psychologische modellen en denkbeelden en daarmee op ons mensbeeld. En hoe zich dat weer uit in taalgebruik in (social) media en zo diezelfde tijdgeest weer versterkt. Met 'tijdgeest' bedoel ik overigens de manier waarop politieke, religieuze, wetenschappelijke, commerciële en filosofische denkbeelden van een tijdperk zich via media, mode, trends, entertainment, technologische ontwikkelingen, bewegingen en sociale invloeden vrijwel ongemerkt in ons denken, voelen en spreken nestelen. Onze westerse cultuur is vanaf de industrialisatie steeds meer technisch, controlerend, algoritmisch en 'spreadsheetachtig' geworden. We willen steeds meer meten, scoren, verklaren en beheersen, alsof de maatschappij pas werkelijk goed functioneert wanneer de mens met al zijn eigenschappen en gedragingen in modellen, systemen en data past. In de theorie van Iain McGilchrist lijkt onze meer 'performaal' georiënteerde linkerhersenhelft steeds meer de toon te zetten, ten koste van de rechter hersenhemisfeer, die zich juist op context, betekenis, samenhang en organisch leven oriënteert. Parallel, en op een bepaalde manier voor mij tegenstrijdig aan deze technologisering loopt een andere ontwikkeling die mij opvalt aan onze tijdgeest: een steeds meer hedonistische leefstijl waarin gemak, snelheid, plezier, ontspanning, korte-termijn bevrediging en verdoving als een 'recht' wordt beleefd. 'Recht' op vrijheid en 'recht' op genot. 'Recht' op geluk, 'recht' op ruimte, 'recht' op vrije expressie, 'recht' op seks en 'recht' op een leuke, zinvolle baan. We zijn daarmee misschien wel erg aan de bovenkant van de pyramide van Maslow (hij heeft het zelf nooit een pyramide genoemd overigens) aangekomen. We willen of moeten ons zelf meer ontplooien, manifesteren en uitleven dan ooit eerder in geschiedenis. Dat alles beïnvloedt (of bepaalt misschien zelfs) hoe wij naar onszelf en naar elkaar kijken, en dus ook hoe we woorden gebruiken en begrippen definiëren. Psychologische taal verandert niet door woordenboeken, maar vooral door de tijdgeest en het mensbeeld dat meebeweegt binnen die tijdgeest. Een tijdgeest waarin we het met elkaar steeds minder eens lijken te zijn over wat 'heilig' is en wat 'leven' en 'samenleven' ten diepste is. In die verwarring over 'heiligheid' ontstaat bijna per definitie meer achterdocht, verharding, polarisatie, fragmentatie en sektarisatie en wordt de ruimte voor naastenliefde, verbondenheid en kwetsbaarheid steeds kleiner. Zo komt het in ieder geval op mij over. Wat ik de laatste jaren steeds meer waarneem, is niet alleen dat de woorden grover worden, maar ook dat woorden een meer zakelijke, oordelende, analytische of bijna mechanische betekenis lijken te krijgen. Ze klinken nog bekend. Soms zelfs nog warm. Maar het idee erachter lijkt veranderd. De achtergrond, de bron, lijkt niet meer dezelfde. Diepgelaagde, inspirerende verhalen, symbolen en metaforen verdwijnen meer naar de achtergrond. En worden ongemerkt vervangen door meer technische analyses. En daar waar verhalen ons nog raken worden deze in films, series en animaties met beeld en muziek zo emotioneel dramatisch neergezet met betoverende 'hooks' in elk fragment dat ons brein er door overprikkeld raakt. De meest heroïsche verhalen en de meest indringende muziekstukken worden ontleed tot een formule. En deze formule wordt in de media gebruikt om mensen continu te boeien en te binden. Daardoor (of daarvoor?) worden woorden uitgehold. En mensen die taalgevoelig zijn, waaronder ik mezelf en veel van mijn cliënten durf te scharen, voelen dat wellicht eerder dan anderen. Zij horen niet alleen het woord, maar voelen ook de ondertoon. Zij merken wanneer een woord dat ooit bescherming bood, langzaam stigmatiserend, veroordelend of zelfs beschuldigend wordt. Wanneer een woord dat ooit naar zorg en tederheid verwees, een bijsmaak van zwakte krijgt. Wanneer een woord dat ooit iets van eerbied droeg, steeds vaker wordt gebruikt om het eigen terrein af te bakenen. Dat is geen kleine verschuiving. Zeker niet voor gevoelige, altruïstische en artistieke mensen. De mensen waar ik graag voor opkom in mijn schrijfsels. Dat was je vast niet ontgaan als je soms mijn posts leest. Een tijdgeest verandert bijna ongemerkt het gebruik en daarmee ook de betekenis van woorden. En dat is ingrijpend. Voor de altruïstische 'helper' die relationele spanning vaak eerder voelt dan een ander. Voor de sensitieve 'kunstenaar' (ik bedoel niet alleen professionele kunstenaars, maar iedereen die de taal van muziek, beeld of verhaal aanvoelt) die nuances opvangt waar anderen overheen lopen. Voor mensen bij wie woorden niet alleen informatie zijn, maar bijna levende dragers van sfeer, betekenis en herinnering. Mensen die de pijn van taal sterk kunnen voelen, maar ook de troost ervan. Drie woorden die mij daarin de laatste tijd zijn opgevallen zijn: 'pleasen', 'koesteren' en 'respect'. Ik wil in dit artikel deze drie als voorbeeld nemen en daarop inzoomen. Ik zeg dit allemaal niet zonder zelfrelativering. Ik ben natuurlijk zelf als waarnemer ook veranderd. De mensen met wie ik tienduizenden uren heb gepraat hebben mij gevormd. Hun verhalen en hun geschiedenissen zijn nu ook deel van mijn verhaal en mijn geschiedenis. Ik luister niet meer met de oren van de twintigjarige Matthijs. Mijn werk, mijn geloof, mijn verliezen, mijn eigen levensfase, mijn overwinningen, mijn teleurstellingen, mijn liefde voor taal, mijn kijk op mensen kleuren natuurlijk mee wat ik meen te zien en meen te horen. Maar juist die zelfreflectie hoeft mijn waarneming niet zwakker te maken. Hopelijk maakt ze haar eerlijker. Minder stellig misschien, maar op zijn best wel doorleefder. En mogelijk daarmee zelfs overtuigender. Pleasen Het woord 'pleasen' is voor veel mensen steeds meer een verdenking aan het worden. Alsof het nog maar zelden verwijst naar fijngevoeligheid, tact of liefdevolle afstemming, en bijna alleen nog naar zwakte, zelfverlies of ongezonde aanpassing. Zodra iemand sterk rekening houdt met anderen, de sfeer aanvoelt, spanning probeert te verminderen of harmonie wil bewaren, ligt de diagnose al bijna klaar. Dan heet het angst. Of trauma. Of gebrek aan grenzen. Of een 'zwak ontwikkeld zelf'. Ik begrijp waar dat idee vandaan komt. Natuurlijk bestaat er pleasegedrag dat niet 'vrijwillig' is. Natuurlijk zijn er mensen die zichzelf onderweg kwijtgeraakt zijn. Natuurlijk kan afstemming ook overlevingsgedrag worden. Dat moet je eerlijk kunnen benoemen. Maar ik zie nu dat het te vaak en te simpel gebeurt. En dat met het kind het badwater weggegooid wordt. Niet alles wat je psychologisch op een bepaalde manier kunt analyseren, mag je daarmee ook reduceren tot de psychologische mechanismen die je meent te zien. En dat doen we (juist als psychologen en therapeuten!) sneller dan we zelf willen of denken. Waarmee we vervolgens zelf de beweging van de tijdgeest versterken en uitdragen. Niet ieder mens die zijn gedrag afstemt op anderen, verraadt zichzelf. Niet iedereen die rekening houdt met de ander, doet dat alleen maar vanuit angst. Niet ieder mens die vrede zoekt, is conflict mijdend in de oppervlakkige zin van het woord. Niet iedereen die tactvol praat of schrijft is een emotionele manipulator. Sommige mensen hebben eenvoudigweg een fijner ontwikkeld zintuig voor relationele dissonantie. Zij horen eerder wanneer een gesprek 'vals' begint te klinken. Zij merken sneller wanneer iemand afhaakt, wanneer een toon verhardt, wanneer een woord meer kapotmaakt dan het opbouwt. Dat is geen stoornis. Dat is niet zomaar een zwakte. Dat is heel vaak juist een gave. De 'helpers' onder ons zullen dat ongetwijfeld herkennen. De neiging om af te stemmen is dan niet zomaar een reflex, maar ook een stijl van liefhebben. En voor de 'artistieke' menstypes is dat evenzeer herkenbaar denk ik. Niet omdat zij per definitie pleasegedrag vertonen, maar omdat zij vaak intuïtief weten hoe kwetsbaar de ruimte is waarin iets echts kan ontstaan. Een gesprek, een lied, een vriendschap, een huwelijk, een ziel. Niet alles is bestand tegen kille feiten, tegen puur rationele kritiek of botheid. Niet alles groeit of bloeit onder hard koud licht. Juist daarom stoort het me wanneer het woord 'pleasen' voornamelijk negatief wordt ingekleurd. Dan verliezen we uit het oog dat sommige mensen jarenlang juist iets van beschaving hebben gedragen zonder dat iemand het zag. Zij hebben rekening gehouden met de breekbaarheid van de ander. Zij hebben tussenruimtes bewaard in families, teams, vriendschappen, kerken en groepen. Zij hebben niet alles op scherp gezet wat op scherp gezet kón worden. Zij hebben veiligheid en daarmee stabiliteit in een ruimte gehouden waar ook verharding en instabiliteit had kunnen ontstaan. Ja, die kracht kan doorschieten. Ja, iemand kan te veel om de ander heen gaan leven. Maar laten we voorzichtig zijn dat we met onze focus op autonomie, rechten en grenzen niet iets essentieels van mens-zijn kapot analyseren. Naastenliefde. Inlevingsvermogen. Empathie. We kunnen met onze doorontwikkelde psychologische analyses iets blootleggen, maar we kunnen met onze stellige analyses ook breekbare kostbaarheden beschadigen. Niet alles wat zich afstemt is neurotisch of manipulatief. Soms ligt in pleasen ook trouw besloten. Tact. Geduld. Relationele intelligentie. En heel vaak zelfs moed. Volharding. De moed om in verbinding te blijven in een harde omgeving. Misschien moeten we dat woord opnieuw leren wegen. Minder veroordelend en veel eerbiediger. Koesteren Met 'koesteren' gebeurt iets anders heb ik het gevoel. Dat woord draagt van zichzelf warmte in zich. Je voelt er bijna lichamelijk iets in van 'bewaren', 'beschermen', 'dicht bij je houden wat kostbaar is'. Een herinnering. Een mens. Een lied. Een geur. Een kaart. Een tekening. Een cadeautje. Een zin die ooit precies op tijd kwam. Een blik. Een knipoog. Een ogenblik waarin je je onverwacht gezien wist. Een klein stukje licht dat je in een donkere tijd niet kwijt mocht raken. Koesteren heeft iets van beschermende handen om een vlammetje. Je warmt je eraan en tegelijkertijd bescherm je dat vlammetje. Juist daarom valt het me op dat het steeds vaker in negatieve contexten opduikt. We spreken vooral over wrok koesteren, pijn koesteren, bitterheid koesteren, slachtofferschap koesteren, geheimen koesteren, zonden koesteren. En ook dat bestaat natuurlijk. Een mens kan dingen warm houden die hem langzaam van binnen vergiftigen. Hij kan een wond zo dicht tegen zich aandrukken dat die niet meer alleen pijn doet, maar ook zijn identiteit begint te bepalen. Daar mogen we eerlijk naar kijken. "Koesteren heeft iets van beschermende handen om een vlammetje. Je warmt je eraan en tegelijkertijd bescherm je dat vlammetje." Maar ook hier dreigt het woord steeds smaller en lelijker te worden dan het verdient. Alsof koesteren per definitie verdacht is. Alsof volwassen worden vooral betekent dat je moet leren loslaten, opruimen, afstand nemen, verdergaan. Terwijl dat maar een halve waarheid is. Een mens leeft niet zozeer van wat hij loslaat. Hij leeft juist van wat hij zorgvuldig bewaart en meeneemt. Het koesteren van goede herinneringen is enorm versterkend in je levensverhaal. Sommige mensen blijven overeind doordat zij nog ergens vanbinnen een paar warme woorden van iemand met zich meedragen. Een liefdevolle blik. Een plaats waar zij zich ooit thuis voelden. Een stem. Een lied. Een ervaring van nabijheid. De kunstenaar weet dit vaak instinctief. Niet alles wat voorbij is, moet weg. Sommige herinneringen zijn geen beknellende ketting, maar een helpende kleur. Geen stilstand, maar een voedingsbodem. Taalgevoelige mensen zullen dat direct herkennen. Zij kunnen soms jaren leven op een paar zinnen. Op woorden die in moeilijke tijden niet verdwenen zijn, maar onuitblusbaar bleven nagloeien. Niet als vlucht uit de werkelijkheid, maar als tegenwicht tegen verkilling. Niet als ontkenning van het donker, maar als bescherming van iets goeds. Daarom zou het jammer zijn als koesteren steeds meer geassocieerd wordt met iets ziekelijks of regressiefs. Alsof iedere gehechtheid verdacht is. Alsof bewaren per definitie minder volwassen zou zijn dan loslaten. Nee. Er is ook zoiets als trouw aan het goede. Er is ook zoiets als dankbaarheid die je niet moet wegredeneren, maar juist moet bewaren. Er zijn herinneringen die geen last zijn, maar een bron. Levenswijsheid zit misschien wel grotendeels in dat onderscheid. Je kunt bitterheid koesteren en daar lelijker van worden. Maar je kunt ook schoonheid koesteren en daar mooier van blijven. Je kunt je pijn voeden tot ze alles overneemt. Maar je kunt ook het goede bewaren als een klein vlammetje, zodat het in jou niet overal koud wordt. Afscheid nemen is een ritueel waarin je samen (als dat kan nog kan) verwoordt wat je loslaat, maar ook wat je behoudt en meeneemt en mag koesteren. Een afscheid zonder gezamenlijk ritueel blijft een open wond. Een afscheid met een gezamenlijk ritueel geeft je een nieuwe helpende herinnering aan het loslaten. Die herinnering mag je koesteren. Die helpt om het gemis aan te kunnen. Dat onderscheid vraagt om meer dan techniek. Het vraagt om liefdevolle wijsheid. Om mensen die nog aanvoelen dat niet alles wat gevoelig is, sentimenteel is. En dat niet alles wat je vasthoudt, je gevangenhoudt. Dat loslaten niet de ultieme oplossing is voor problemen. "Een mens leeft niet zozeer van wat hij loslaat. Hij leeft juist van wat hij zorgvuldig bewaart en meeneemt." Respect Van deze drie woorden heb ik 'respect' misschien wel het meest zien verschuiven in de afgelopen veertig jaar. Ooit had dat woord iets van eerbied in zich. Waarde en ruimte toekennen. Bewust zorgvuldig omgaan met de ruimte en de zeggenschap van de ander over zijn domein. Beseffen dat de ander niet van jou is, niet door jou gedefinieerd wordt, niet zomaar tot object of functie mag worden teruggebracht. Respect had ook iets te maken met vorm, met waardigheid, met zelfbeheersing, met de erkenning dat een mens een binnenwereld heeft waar je niet achteloos overheen loopt. Maar steeds vaker hoor ik het woord vooral als een claim. 'Ik eis respect'; 'Je respecteert me niet'. En daarmee verschuift er iets. Respect lijkt dan minder te verwijzen naar wat ik de ander verschuldigd ben, en meer naar het afbakenen van mijn eigen domein. Minder eerbied, meer zelfbescherming. Minder wederkerigheid, meer territorium. Ook hier begrijp ik natuurlijk iets van de achtergrond. Wie vaak is overschreden of vernederd, mag leren zeggen dat zijn ruimte ook ruimte is. Dat is zeker niet verkeerd. Dat kan noodzakelijk zijn. Maar wanneer respect vooral een woord wordt waarmee ik mijn eigen grens markeer, verliest het iets van zijn oorspronkelijke glans. Dan gaat het minder over zorgvuldig omgaan met de ander, en meer over het handhaven van mezelf. Dan verandert respect van een innerlijke houding in een uiterlijke eis. En juist gevoelige mensen voelen dat haarscherp aan. Zij merken wanneer een woord dat ooit relationeel was, individualistischer wordt. Wanneer een woord dat ooit de ander beschermde, nu vooral het ik afschermt. En daarmee verbondenheid ondermijnt. En dat is niet alleen een betekenisverschuiving. Het zegt ook iets over hoe wij elkaar als mensen zien. Voor mij heeft echt respect nog altijd iets van eerbied. Iets van voorzichtig zijn in de ruimte van de ander. Ik ben daar te gast. Niet omdat de ander onaantastbaar zou zijn, maar omdat hij de autoriteit is in zijn eigen domein. Omdat hij een eigen unieke geschiedenis heeft. Omdat hij een eigen, unieke kwetsbaarheid heeft. Omdat je met de ziel van een mens niet werkt alsof je een technisch probleem oplost. En omdat ik de drinkbeker van die ander niet kan drinken. Respect is dan niet eerst: erken mijn grens. Respect is eerder: ik wil zorgvuldig zijn als gast in jouw binnenwereld. Vanuit het besef dat ik maar een fractie begrijp van hoe het universum van jouw binnenwereld in elkaar zit. Daar zit iets liefdevols in, maar ook iets vastberadens. Soms zelfs iets heldhaftigs. Alsof er in een mens een beschermende kracht opstaat die weigert toe te laten dat iets breekbaars kapotgemaakt wordt door botte taal, snelle analyses of een al te technische of simpele vorm van psychologie. Niet sentimenteel. Niet week. Maar respectvol, vastberaden. Ik ben in jouw binnenwereld als de astronaut die door de ruimte reist waar hij nog geen fractie van een procent van kan zien, laat staan kan begrijpen. De pijn van taal en de troost van taal Misschien is dat wat hier onder ligt. Gevoelige, altruïstische en artistieke mensen weten uit ervaring dat woorden niet bepaald neutraal zijn. Ze kunnen je maken of breken. Ze zijn een zegen of een vloek. Ze kunnen iets in je openen of iets in je sluiten. Ze kunnen een veilige kamer maken waarin je eindelijk ademruimte vindt, of juist de zuurstof er helemaal uit trekken. Woorden kunnen iemand terugbrengen naar zichzelf, of hem verder van zichzelf vervreemden. Een woord als 'pleasen' kan dan niet alleen kritisch klinken, maar zelfs beschuldigend en daarmee schaamte versterken. Een woord als 'koesteren' kan zijn waarde en warmte verliezen en verdacht worden en alle kostbare herinneringen uit je handen slaan. Een woord als 'respect' kan van richting veranderen en steeds minder over de ander gaan. Dat heeft een enorme impact. Maar er zit ook troost in. Want woorden hoeven niet alleen te verschralen. Ze kunnen ook herstemd worden. Teruggebracht naar hun oorspronkelijke, zuivere toon. Ik beleef dat eerlijk gezegd als een deel van mijn roeping. Zeker voor mensen die de pijn van taal zo sterk voelen. Ik schrijf om goede woorden en concepten te beschermen, zodat ze niet gaandeweg steeds cynischer of oordelender worden. Zodat we kostbare woorden niet achteloos laten afglijden door de tijdgeest of door steeds meer psychologische theorieën of modellen met een bijna totalitair karakter: 'allesverklarend', maar daarmee soms ook 'allesvernietigend' op het gebied van liefde, verbinding, warmte, respect. Ik wil graag de schoonheid en de kracht van deze woorden opgraven, het goud dat er in zit, en dat weer oppoetsen. Zodat deze woorden hun oorspronkelijke glans behouden of weer terugkrijgen. Zodat 'pleasen' niet alleen nog maar klinkt als een soort zelfverlies, maar juist iets laat horen van emotionele intelligentie, tact, afstemming en liefdevolle fijngevoeligheid. Zodat 'koesteren' niet vooral een negatief, verdacht woord wordt, maar weer mag verwijzen naar het 'bewaren van hulpbronnen in het leven'. Zodat 'respect' niet verwordt tot een eis, maar weer gaat klinken als eerbied, wederkerigheid en zorgvuldig omgaan met het domein, de grenzen, de keuzes en de binnenwereld van de ander. Een afscheid zonder gezamenlijk ritueel is geen afscheid. Het is een open wond. Een afscheid met een gezamenlijk ritueel geeft je een nieuwe helpende herinnering aan het loslaten. Die herinnering mag je koesteren. Die helpt om echt los te laten en het gemis aan te kunnen. Misschien horen gevoelige mensen niet te veel. Misschien horen zij soms als eerste wat er verdwijnt uit een woord. En misschien hebben we juist daarom deze mensen nodig. Niet om overal achterdochtig van te worden, maar om ons eraan te herinneren wat juist het 'woord' soms als enige kan overbrengen: geloof, troost, bemoediging, trouw, eerbied en naastenliefde.
Aan iedereen die mij heeft gevormd in de afgelopen tientallen jaren: dankjewel voor alles wat je hebt gedeeld uit jouw binnenwereld. Ik draag wat je hebt gedeeld als kostbare parels mee in mijn verdere levensreis. En op de rand van leven en dood, zelfs als ik dit leven los moet laten en de sprong in het onbekende moet maken die we allemaal een keer moeten doen, hoop ik deze parels mee te mogen nemen naar mijn Schepper. Ik zal ze voor Hem neerleggen en Hij zal de waarde er van zien en bepalen. Wat goed was blijft voor altijd goed en wat van Hem was zal Hij herkennen. En Hij zal de schatten die Hij daar Zelf van heeft gemaakt in de hemel en voor ons heeft bewaard, daar naast leggen. Ook voor jou. Dat komt goed. Nogmaals dankjewel.
[Draft. 05-04-2026 20.21] Iets om over na te denken en verder over te schrijven: is het doel van een appelboom om appels voort te brengen? Maar wat is het dan het doel van een appel? Om mooi te zijn? Om de boom 'compleet' te maken? Om de appelboom te laten 'shinen'? Of is een appel bedoeld om geplukt te worden? Of is het doel van de appel om opgegeten te worden en bij te dragen aan het leven van degene die zich met die vrucht voedt? Of is het doel van de appelboom juist om zoveel mogelijk nieuwe appelbomen te doen ontstaan ... ? Je zou oppervlakkig kunnen zeggen: de appel komt voort uit de boom en niet de boom uit de appel. Maar dat is ook weer niet helemaal waar. Een nieuwe appelboom komt voort uit een pitje in de appel. Maar het bijzondere bij appels is dat je voor een goede appelsoort weer beter niet een pitje kunt zaaien, maar een tak moet enten op een stam.
Wat betekent dat voor jou en mij? Zijn we hier om vrucht te dragen naar onze aard? Onze talenten te vermenigvuldigen? Of zijn we hier zodat we met onze talenten anderen kunnen laten groeien? Of is 'vrucht dragen' misschien toch niet het hoogste doel? En wat als de stam van de appelboom helemaal uitgehold is? Of als meerdere appelbomen te veel ruimte innemen en in elkaar groeien? En wat als de boom een gevaar wordt voor anderen in de boomgaard? Wat betekent 'snoeien' of 'gesnoeid worden' in dit licht? En oh ja: die graankorrel. De graankorrel draagt pas vrucht, ontkiemt pas, als hij onder de grond zit en sterft. Maar dan wel in die volgorde: eerst onder de grond en dan sterven. Hm ... En dan hebben we nog de boom van kennis van goed en kwaad. Die had vruchten waar we vanaf moesten blijven. Welk doel had die dan ... ? En de vijgenboom waar Jezus geen vrucht aan vond. De volgende dag was hij dood. Wat zegt het ... ? Ik denk dat Hem kennen, en Hem weerspiegelen misschien een hoger doel is dan 'vrucht dragen'. Maar Hem kennen en weerspiegelen leidt misschien automatisch tot 'vrucht'. Please, make me more like You ... Iets om eens een poosje op te kauwen. [In bewerking] 'En God zei: Laat de aarde groen doen uitspruiten, zaaddragend gewas en vruchtbomen die vrucht dragen naar hun aard, waarvan het zaad daarin is, op de aarde. En het was zo. En de aarde bracht groen voort, gewas dat zaad geeft naar zijn aard en bomen die vrucht dragen, waarvan het zaad daarin is naar hun aard. En God zag dat het goed was.'
Eén van mijn grootste vreugden is als ik zie dat iemand van wie ik hou naar zijn of haar aard 'vrucht draagt'. 'Vrucht dragen' heeft niets met 'presteren' te maken. Vrucht dragen is juist niet presteren, niet ploeteren, maar tevoorschijn laten komen wat bijna 'vanzelf' ontstaat als je gewoon jezelf bent. De appelboom die in de lente haar prachtige bloesem geeft en richting de herfst appels voortbrengt. En de perenboom die peren geeft. Gewoon door appelboom en perenboom te zijn tussen andere fruitbomen.
Wat mij verdriet doet: als mensen om mij heen zich zijn gaan schamen voor hun aard, hun natuurlijke gedrag, hun vruchten. Hun output. Hun creaties. Als hun puurheid, hun vrijmoedigheid, hun onbevangenheid geroofd wordt. En wat haalt de vechter in mij tevoorschijn: wanneer ik zie dat iemand bewust of onbewust door anderen onzeker gemaakt wordt over zijn of haar aard. En met allerlei (terechte of onterechte) zienswijzen verdreven wordt uit zijn of haar veilige boomgaard. Door wantrouwen, schaamte, onzekerheid, schuldgevoel of onveiligheid.
Dan ga ik aan. Zeker wanneer het een bekende betreft. Of wanneer er (goedbedoeld) theorieën uit mijn eigen vakgebied, klinische- en persoonlijkheidspsychologie, worden ingezet die mensen onzeker maken over hun gevoelige, empathische, artistieke of sociale aard. Als je aard of je talent verward wordt met psychopathologie, diagnosen, coping, etc. klim ik voor je in de pen met alle energie die ik nog kan vinden want dit raakt direct waar ik voor sta; mijn levensmissie! Waar zijn we mee bezig? Waar ben ik mee bezig? Waar ben jij vandaag mee bezig? Doe je nog waar je voor gemaakt was? Waar je altijd zo in op kon gaan? Zo niet, dan bid ik dat je de weg naar jezelf weer terug vindt. Misschien ook terug naar je Schepper. Die jou een 'aard' heeft gegeven. Om vanuit die aard onbeschaamd te bloeien. Terug naar waar je echt van houdt. Of ooit zo van hield ... Ik heb het niet over verkeerde, ongezonde verlangens, maar over jouw kleur en jouw talent. Ik gun je dat je terug kunt naar de plekken, de fase, de mensen, de situaties waar jij ooit bloeide. Een appelboom hoort in een boomgaard tussen andere fruitbomen. Helmgras hoort in de duinen, in de zon, in de zilte zeewind. Een aardbeienplant hoort in een moestuin. Waar was jij ook alweer in je element? Weet je nog toen jouw werk zo welkom en zo helpend was? Wie sprong van blijdschap een gat in de lucht bij jouw eerste 'lentebloesem'? En bij je volgende creatie? Met wie had je dat feestje van herkenning toen je jezelf vergat tijdens het creëren? Het kan nog steeds goedkomen. Het kan weer worden zoals toen. Het is nog niet te laat, al voelt dat misschien wel zo. Er is altijd hoop want de Schepper van de wijngaarden, de boomgaarden, de moestuinen, de bergen, de zeeën, de bossen, het strand en de duinen is er nog steeds. Hij verbreekt het geknakte riet niet en dooft de walmende vlaspit niet uit. Hij laat nooit los wat Zijn hand begon. Sta je naast iemand die 'zichzelf kwijt is'? Help hem of haar om zichzelf te mogen zijn en herkenning te vinden bij gelijk geaarde types. Verbindt analisten met analisten. Breng zorgers bij andere zorgers. Pleasers bij pleasers. Doeners bij doeners. Breng kunstenaars bij elkaar. Zorg dat ze zichzelf (weer) kunnen herkennen in iemand anders. Dat geeft hen moed. Hoop. Help ze hun eigen boomgaard weer te vinden. Hun eigen landschap. Hun eigen zee. Daar waar ze in hun element zijn. En verwonder je over de verschillen die je ziet met jezelf; leer er van. Geniet van wat je de anderen ziet doen. Zij doen wat jij niet kunt en op een manier die jij nooit zou kunnen leren. Zij spreken een taal die jij niet spreekt. En jij een taal die zij niet spreken. Ben je zelf die appelboom die onzeker is geworden over je bloesem of je appels? Zoek de weg terug naar jezelf. Schud de schaamte van je af en geef de wereld weer het beste wat jij haar kunt geven: de vruchten die bij jou horen. Jouw woorden. Jouw taal. Jouw kleuren. Jouw gedachten. Jouw creaties. Jouw liefde. Jouw stijl. Bedacht en gewild door jouw Schepper. Blijf maar geworteld in Hem. Aan de hemelse waterstromen. Dan draag je vrucht op jouw tijd. Is dit het enige waar het in het leven om draait? Nee, uiteraard niet. Is dit het belangrijkste om over te schrijven ... ? Misschien zelfs dat niet. Is het belangrijk? Ja, zeker weten! 100% Matthijs. Geen AI, ChatGPT of iets dergelijks. [In bewerking. Versie 11-3-2026 21.00] Ik kom op social media steeds meer posts tegen met nogal ferme taal over pleasen: pleasen is egoïsme. Pleasen is controle. Pleasen is manipulatie. Pleasen is angst. Pleasen is aanpassing. Pleasen komt voort uit trauma. Pleasen is een teken van onvolwassenheid, narcisme, co-dependency en nog een hele rits onprettige psychologische termen die je liever niet opgeplakt krijgt. Volgens deze posts en theorieën (sommige met een onmiskenbaar hoog AI-gehalte) is autonomie de oplossing: de bewustwording van je 'ik', je 'zelf', je 'bestaansrecht', je grenzen. Niet het gevoel van de ander bepaalt meer of iets goed of fout is, maar jouw gevoel bepaalt dat. Het is hot, trendy, populair en in lijn met onze tijdgeest om pleasen als iets negatiefs neer te zetten waar iedereen vanaf geholpen zou moeten worden. 'Schaam je als je in 2026 nog steeds mensen aan het pleasen bent.' Ik val maar even met de deur in huis: ik ben er een beetje klaar mee. Ik ben een pleaser. En daar ben ik trots op. Ik hou van pleasers. En deze tekst is geen AI, maar 100% Matthijs. Woord voor woord. Even lekker tegen de stroom in ;-). Een pleaser die even zijn tanden laat zien. Pleasers houden van harmonie. Ze zoeken naar harmonie; ze bewaken harmonie. Net als muzikanten. En dat ben ik toevallig ook. En ja: af en toe een een zorgvuldig gekozen dissonante toon als overgang naar een volgend akkoord is ook nodig. Zonder de spanning tussen wringende tonen wordt muziek saai en mis je het gevoel van verwachting of het verlangen naar het volgende akkoord. Of het gevoel van van 'thuiskomen' in het basisakkoord. Maar muziek draait ten diepste maar om één ding: harmonie. Zelfs de meeste ruige heavy-metal gitarist stemt heel zorgvuldig en precies zijn gitaar voor hij gaat spelen. Elk muziekstuk is een spannend verhaal van meerdere tonen, instrumenten of melodielijnen die met elkaar in een bepaald ritme dansen, wringen, soms vechten, om uiteindelijk elkaar te vinden in die unieke harmonie. In een rustig, vredig of juist krachtig slotakkoord. Daarna wordt het stil. Of barst er een bevrijdend applaus los. Ik hou niet alleen van harmonie, ik geloof ook in harmonie. We zijn gemaakt voor harmonie. En uiteindelijk smachten we allemaal naar harmonie. Ik heb in de afgelopen 58 jaar een hoop mensen zien sterven. Zowel mensen die daar naar verlangden als mensen die er bang voor waren. Ik heb naar hen geluisterd, met hen meegezocht naar wat 'loslaten', 'vasthouden', 'koesteren' en 'in je hart meedragen' nou echt betekent als het leven jou loslaat. Woorden die zo makkelijk gezegd worden met een impliciet oordeel of een pijnlijk ongepast advies er in. Maar wat is 'loslaten' als je gezondheid jou loslaat? En wat is 'vasthouden' als niemand weet of begrijpt waar je je aan probeert vast te houden? Of als mensen om je heen een negatief oordeel hebben over dat wat je als hoop, als houvast koestert en met je meedraagt? Ik heb niemand in zijn laatste momenten horen zeggen: 'Had ik maar beter voor mezelf gezorgd', of: 'Was ik maar assertiever geweest' of: 'Had ik maar meer aan mezelf gedacht'. Dat wil niet zeggen dat dit nooit gebeurt. In ieder geval heb ik het nooit meegemaakt. En dat zegt me iets. En daarom deel ik dit hier met jou. Op het allerlaatst, op de grens van leven en dood, zie ik mensen zoeken naar harmonie. Harmonie met de ander. Harmonie met de mensen die tijdens hun levensreis een plek in hun hart hebben gekregen. Zelfs harmonie met degenen die hen pijn hebben gedaan. Het zal niet toevallig zijn dat in de hospices waar ik kwam, de vrijwilligers bijna allemaal 'pleasers' waren: empathische, altruïstische, lieve mensen voor wie niets te veel is. Ze creëerden een atmosfeer van harmonie die bijdroeg aan dat laatste harmonieuze slotakkoord van iemands leven. Als het regende werden zij de paraplu. Was er een onoverkoombare woeste rivier, dan werden zij de brug. De 'bridge over troubled water'. En het is ook niet toevallig dat de mensen die mij een appje stuurden als ze wisten dat ik naar een hospice ging, allemaal zonder twijfel in de categorie 'pleasers' passen. Ze stuurden een lied wat in hen opkwam als ze aan mij of de stervende dachten. Zelfs als ze die persoon niet kenden. Een gedicht dat hen raakte. Een gebed. Dankjewel nog. Je bent een zegen. Het meest verdrietige dat ik heb gezien is sterven zonder harmonie. Los moeten laten zonder dat er vrede, harmonie tussen jou zelf en de ander is ontstaan. Dan is 'loslaten' een pijnlijke, bittere strijd. Dan wordt 'loslaten' eigenlijk 'opgeven'; aanvaarden dat het slotakkoord van je leven of van een relatie lelijk en vals is geworden. Of juist 'vasthouden' aan je eigen gelijk tot aan je laatste snik. Het is allebei pijn in je ziel die je afscheidsblik op het leven vertroebelt. Dan is morfine soms nog de enige manier om de dissonante tonen naar de achtergrond te drukken in het slotakkoord. Dat gun ik echt niemand. Ik hoop dat jij en ik in vrede mogen sterven. In harmonie. Dat het goed is tussen jou en de mensen die veel voor je betekenen. Er bestaan aan het eind van je leven, in het slotakkoord, geen mensen die veel voor je 'hebben betekend' heb ik ontdekt. Er bestaan alleen mensen die veel voor je 'betekenen'. Mijn oma die al lang geleden overleden is, is niet iemand die iets 'heeft betekend' in mijn leven, zij is iemand die 'iets betekent'. Dat blijft. Denk daar maar eens rustig (en kritisch) over na. Ik zal altijd vechten voor harmonie met de mensen die iets voor mij betekenen zolang als we nog met elkaar leven. Dat kan ook als je elkaar maar één keer per vijf jaar spreekt. Als vader moeten sterven terwijl je geen contact meer hebt met je eigen kind ... dat is voor mij als pleaser een stuk van de hel. Ik voel, denk, zoek en vecht met je mee naar harmonie. Als zus moeten sterven terwijl je broer rauw weggescheurd is uit je leven ... ik heb er geen woorden voor. Zeker als dat door toedoen van anderen is ontstaan. Of door niet meer te herleiden misverstanden waardoor je op het laatst elkaars taal niet meer sprak. Of nog erger: niet meer mocht spreken. Of wanneer je door juridisering van conflicten ongewenst lijnrecht tegenover elkaar bent komen te staan. Je werd meegesleept door de impulsieve rechtlijnige acties van iemand die zelf bepaald geen pleaser is. En meestal door een combinatie van al deze dingen. Allemaal pijn ... en mogelijk dissonante klanken in het slotakkoord van jouw levensmuziek. Ik hou van pleasers. Ik wil een pleaser zijn. Ik wil degene zijn die zich in allerlei bochten wringt om het goed te maken. Om rekening te houden met het gevoel van de ander. Om me af te stemmen op de behoeften van de ander. Niet omdat ik bang ben voor afwijzing. Niet omdat ik iets ongezonds koester. Niet omdat ik niet weet wie ik ben of waar ik voor sta. Niet uit verborgen egoïsme of narcisme voor zover ik me zelf ken. Niet omdat ik zelf geen grenzen heb of voel. En ook niet omdat ik naïef ben en de gevaren of ongezonde kanten van pleasen niet zie. Ik ben een pleaser omdat ik weet waar ik voor sta en omdat ik weet wie ik ben. En waar ik in geloof. En waar ik me aan toewijd. Ik zal altijd vechten voor het harmonieuze slotakkoord in het leven. Dat is de leeuw in mij. Het lammetje in mij is bereid zich op te offeren. Soms meer dan verstandig lijkt. En misschien soms ook meer dan verstandig is. Laat me. Dat is mijn keuze. De leeuw in mij gromt en gaat beschermend voor dit lammetje liggen. En voor de lammetjes in mijn geliefden. Daar stel ik de grens. Moet iedereen een pleaser worden? Nee. Zijn pleasers betere mensen? Zeker weten van niet. Is pleasen alleen maar goed en gezond? Nee. Is pleasen altijd helpend? Nee. Is pleasen altijd naastenliefde? Nee. Maar bedenk even hoe jouw werkrelaties, jouw familiebanden, jouw vriendschappen, jouw levensfasen, jouw beslissende momenten of jouw kerkelijke samenkomsten er uit hadden gezien zonder de tact, de aanpassing, de voorzichtigheid, de meegaandheid, de empathie en de zorg van pleasers om je heen. En hoe de wereld er uit had gezien als er geen mensen waren geweest die zichzelf soms te veel opofferen voor de ander. Ik kan je verzekeren: in zo'n wereld zou je niet willen leven. Laat staan sterven ... Als ik het goed heb verwoord en als je met je hart leest, voel je vast het pleasende lammetje in mij. Maar zie je hopelijk ook de vastberaden leeuw in mij die zijn tanden laat zien. En overeind gaat staan als iemand pleasers onzeker wil maken over hun motieven. Stay away from me als je vanuit je eigen pijn, impulsen of bitterheid dissonantie of een disharmonieus slotakkoord creëert in andermans leven. Dan ga je over mijn grens. Stop. Niet doen. Als je het heel bewust toch doet val ik je aan, desnoods met gevaar voor mijn eigen leven. Maar luister goed: ik val je niet aan met verbaal geweld of agressie. Ik val je aan met de wapens van pleasers: liefde, vergeving, begrip, eerlijkheid, zorg, empathie, respect, hoop, medeleven, gebed, verbondenheid, vertrouwen, warmte, troost, bemoediging, een gedicht, een tekst, een lied, een schilderij. Dit zijn ongelofelijk krachtige wapens. Dat zul je merken. Je gaat eraan. En als je onbewust valse slotakkoorden creëert in andermans laat ik je schrikken. Zodat je wakker wordt. Blijf van de pleasers, de bemoedigers, de troosters en van de vredestichters af. Laat hen. Ga weg. Als je aan hen of aan onze harmonie komt, kom je aan mij. Waag het niet. - Matthijs Goedegebuure [Ik hoop in de toekomst verder te mogen schrijven over:
Een pleidooi voor pleasers die in relaties en samenwerking voor harmonie, empathie, bemoediging, troost, tact en veiligheid zorgen, zonder de gevaren van pleasen en van dit unieke talent te bagatelliseren. ] [In bewerking. Versie 22-3-2026 06.30] Ik zat afgelopen week 's avonds met mijn zoon samen op de bank. TV aan, we zapten wat heen en weer en bleven hangen bij Arjan Lubach, vrijwel altijd vermakelijk. Maarten van Rossem kwam, begeleid door een hoop vrolijke muziek, net als gast bij hem binnenlopen. Hij werd met luid applaus en gejoel binnengehaald en bij zijn eerste knorrige opmerking (‘Wat een ver-schrik-e-lijk-e klereherrie zeg’) had ‘ie gelijk alle lachers op zijn hand. De hele zaal vond hem aardig, leuk, geestig. Ik moest er zelf ook om grinniken omdat het een uiterst voorspelbare, maar daarmee wel typische Maarten van Rossem starter was. Duidelijk geen pleaser. Het lijkt hem geen knal te interesseren wat mensen van hem vinden. Alhoewel ... de hele scene was eigenlijk heel erg 'plezant', de Belgische variant van 'pleasant'. Terwijl ik zat te kijken naar het interview, doorspekt met allerlei lachwekkende afkeurende opmerkingen over alles en iedereen (inclusief zichzelf), drong steeds meer tot me door dat ik naar een professionele 'pleaser' zat te kijken die een uitermate aantrekkelijke en vermakelijke show neerzet. Een pleaser die mensen 'pleast' met authentieke intellectuele zurigheid. En daar zijn media-persoonlijkheid mee heeft gebouwd.
'Pleasen' krijgt in onze tijdgeest gaandeweg een steeds negatievere bijklank. Het wordt steeds vaker geassocieerd met mensen die geen grenzen hebben, conflicten uit de weg gaan, zich voortdurend aanpassen en ergens diep vanbinnen smachten naar goedkeuring. De pleaser als de wat weke figuur die vooral bezig is anderen tevreden te houden omdat hij anders niet goed genoeg zou zijn. Het is het soort woord waar de psychologie anno 2026 graag een waarschuwingssticker op plakt. Pas op: verlies van zelf. Kans op codependency. Verhoogd risico op aanpassingsgedrag. Verhoogd risico op manipulatie. Dat is jammer en ook gevaarlijk. Niet omdat pleasegedrag zelf nooit ongezond kan zijn. Natuurlijk kan dat. Maar omdat we ondanks (of misschien wel: door) al onze psychologische termen te weinig doorzien wat er onder dat gedrag ligt. Want als je pleasen in de kern definieert als: de ander een aangenaam gevoel geven, of breder nog: doen wat waarschijnlijk de meeste beloning, warmte, aandacht, verbinding of veiligheid oplevert, dan wordt het plaatje ineens anders. Dan zijn pleasers niet een kleine subgroep van onzekere, conflictmijdende mensen. Dan zijn we het gewoon allemaal. Ook Maarten van Rossem. Dat klinkt op het eerste gehoor misschien hilarisch. Want ons beeld van Maarten van Rossem is nu juist niet dat van de typische pleaser. Niet de empathische man die je tas draagt, nog een kop thee voor je inschenkt en drie keer vraagt of het wel echt goed met je gaat. En als hij dat wel doet bedoelt hij waarschijnlijk dat je niet goed bij je verstand bent. Zijn stijl is het tegenovergestelde: ironie, donker gemopper, droge opmerkingen, tegendraadsheid en een intellectuele knorrigheid die door Nederland inmiddels niet meer als bot maar als geestig wordt ontvangen. Mensen lachen, luisteren, voelen zich vermaakt, herkennen iets. Of lachen omdat hij gewoon dingen zegt die wij soms denken. En ook nog eens goed onderbouwd. Hij krijgt aandacht, applaus, verbinding, genegenheid zelfs. Blijkbaar heeft hij, net als ieder ander mens, een stijl gevonden die voor hem 'werkt'. Een stijl die respons oproept. Een stijl die beloond wordt. En daar wil ik even op inzoomen. Wat wij later als iemands 'karakter' herkennen, is voor een groot deel een vroegkinderlijke 'relationele ontdekking'. Iets wat je als kind ooit hebt geleerd in de intieme kleine oefenruimte van het gezin, de familie, de klas of de buurt: zo krijg ik aansluiting, zo houd ik de ander dichtbij, zo blijft het veilig tussen ons. Het hoog-altruïstische en gevoelige kind leert dat zijn natuurlijke empathische afstemming loont. Dat hij met zijn zorgzaamheid, zijn invoelingsvermogen, zijn behulpzaamheid en het tijdig inslikken van zijn eigen impulsen de meeste vrede bewaart. Het andere, laag-altruïstische kind leert in zijn gezin en vriendengroep dat veiligheid juist via plagen, uitdagen, humor of discussie loopt. Dat je pas echt contact hebt als het een beetje schuurt, een beetje knettert, een beetje leeft. Hij ontdekt hoe hij met zijn uitdagende aard veiligheid en verbinding kan creëren. Sommige kinderen ontwikkelen zelfvertrouwen door 'rough-and-tumble'-play met hun vader: wat ruwer stoeien en merken dat je vader sterker is, maar dat hij je soms laat winnen. Weer een ander leert van zijn vader of moeder dat je vooral verbinding krijgt door slim te zijn, door scherp te formuleren, door indruk te maken met woorden of kennis. Hij zet zijn intelligentie in. Ook dat kan door middel van 'rough-and-tumble'-play zijn, maar dan meer verbaal en intellectueel. En wat als je als kind ontdekt dat wat je ook inzet, er helemaal geen verbinding ontstaat ... ? Noch door mee te bewegen, noch door te stoeien, noch door slim te zijn, noch door de clown uit te hangen of de rebel, de helper, de zorger of wat dan ook ... ? Dan nog zul je waarschijnlijk die vorm aannemen, die houding, die kleur die meestal of uiteindelijk nog de meeste veiligheid, de meeste verbinding oplevert. Juist als de situatie heel onveilig is, en een bepaald gedrag van jou als kind toch heel af en toe wordt 'beloond' met een klein stukje verbinding, ontwikkelt zich het sterkste gedragspatroon. Het is het mechanisme waardoor gokkers verslaafd raken terwijl de gokautomaat maar heel zelden de beloning geeft waar ze wanhopig naar zoeken. Zo ontwikkelt zich een 'stijl'. Niet heel bewust, maar door duizenden kleine herhalingen. Gedrag dat steeds opnieuw (of soms ineens) beloond wordt, raakt diepgeworteld in onze persoonlijkheid. Wat verbinding oplevert, gaan we herhalen. Wat applaus krijgt, gaan we zelf ook geloven. Wat veiligheid schept, wordt een tweede natuur. Het kan heel verwarrend zijn als je in het volwassen leven ontdekt dat anderen op een heel andere manier verbinding maken en dat jouw aangeleerde, vertrouwde manier helemaal niet aansluit. Dit is een van de redenen waarom ik altijd vraag naar de karakters en stijlen van vader, moeder en andere opvoeders. Daarom geloof ik steeds minder in de 'oppervlakkige' tegenstelling tussen pleasers en niet-pleasers. Die tegenstelling suggereert dat sommige mensen gericht zijn op goedkeuring en anderen daar een soort boven staan. Alsof er een ras van vrije, onverstoorbare individuen bestaat dat zich van niemand iets aantrekt en puur vanuit autonomie en zelfbeschikking leeft. Daar geloof ik na 35 jaar intensief praten en werken met mensen helemaal niets van. Ik denk dat mensen vooral een andere route aangeleerd hebben gekregen naar hetzelfde doel. Ook de harde, scherpe, dwarse, onafhankelijke mens is (onbewust) bezig met een 'relationele economie'. Alleen dan niet via warmte een empathie, maar via spanning. Niet via aanpassen, maar via prikkelen. Niet via geruststellen, maar via opvallen en je nek uitsteken. De luis in de pels zijn. De felle, gebekte oppositieleider spelen. De domme clown uithangen. Of juist de slimme clown die met elke theorie de vloer aanveegt. Ook dat is, ten diepste, een vorm van pleasen. Alleen geen harmonie-pleasen, maar humor-pleasen, intellectueel pleasen, dominant pleasen, uitdagend pleasen, pestend pleasen. De verpakking is compleet anders. De inhoud niet echt. De stijl is totaal anders. De onderliggende behoefte is dezelfde. Misschien is dat wel de reden waarom ik soms ernstige bedenkingen heb bij therapieën of zelfhulpverhalen die mensen te snel willen 'verlossen' van hun pleasegedrag. Alsof de opdracht luidt: stop ermee, word assertiever, wees minder gericht op de reactie van de ander. Dat klinkt stoer, maar het mist vaak psychologische fijngevoeligheid. Want als iemands hele relationele systeem in de eerste levensjaren heeft geleerd dat afstemming de veiligste weg naar contact is, dan kun je niet simpelweg tegen zo iemand zeggen dat hij daar maar even mee moet ophouden. Dan vraag je niet alleen om ander gedrag. Dan vraag je iemand om afscheid te nemen van een taal waarin hij ooit liefde, nabijheid en overleving vond. Of in ieder geval zocht en waar hij zelf mee vertrouwd is geraakt. Een taal die past bij zijn natuurlijke 'aard'. Daar moet je niet met grove handen aan komen want dat kan heel ontwrichtend werken. Als iemands 'gedrag' en iemands 'aard' uit elkaar gaan lopen ontstaat er diepe vervreemding van je 'zelf', existentiële onzekerheid, een gevoel van onechtheid. Bovendien gaat er in therapie 'onder de radar', in de 'overdracht', dan vaak iets helemaal mis. De pleaser gaat zijn therapeut pleasen door te laten zien dat hij niet meer pleast. Hij vertelt voorbeelden waaruit blijkt dat hij grenzen stelt, dat hij beter voor zichzelf opkomt en dat hij nu echt minder bezig is met de gevoelens van anderen. De therapeut tevreden, de cliënt ogenschijnlijk gegroeid, maar intussen gebeurt er in de onderstroom iets heel anders. De oude reflex leeft gewoon door, alleen nu met een nieuw jasje en met een extra schuld- en faalgevoel erbij. Niet meer aangepast aan moeder, vader, partner of baas, maar aangepast aan het huidige therapeutische ideaalbeeld van autonomie. Zelfs stoppen met pleasen kan een nieuwe vorm van pleasen worden. Maar dan incognito. Dat is psychologisch ronduit gevaarlijk. Daarom ben ik in mijn artikelen soms een beetje tegendraads. Ik wil kritisch blijven denken over zowel de traditionele pilaren als de hippe trends in mijn vakgebied. En de tijdgeest. We moeten met iets anders, iets hogers bezig zijn. Niet met de voorspelbare vraag: hoe krijg ik dit gedrag eruit? Maar met de vraag: welke vorm van verbinding heb ik ooit leren spreken? Wat is mijn taal? Waar en hoe past die goed, en in welke situaties en bij welke mensen past die wellicht minder? En mag ik ook zoeken naar een rol, een functie, een vriendenkring, een coachingstraject of therapie waarin dit wel past? En hoe kan ik mijn stijl zelfs nog verbeteren en optimaliseren? Hoe kan ik juist met mijn aard, met mijn verbindingsstijl een goede leider, collega, coach, therapeut, techneut, vakman of wetenschapper zijn? Dat zijn naar mijn idee meer helpende vragen dan de vraag: 'hoe leer ik dit af?'. Dan hoef je je aard niet te verraden. Dan hoef je de appelboom niet te leren zich voor haar bloesem te schamen omdat de pruimenboom tegenwoordig meer status heeft. Dan mag je onderzoeken welke vruchten en bloemen er aan jouw takken groeien, in welke bodem die vrucht is gegroeid, welke zon haar rijpt en ook wanneer dezelfde vrucht misschien overrijp wordt of uit de boom valt. Dat we allemaal pleasers zijn, betekent niet dat elke vorm van pleasen gezond is. Ik kan zo afhankelijk worden van respons, bevestiging of waardering dat ik mijn eigen innerlijke kompas kwijtraak. Dan gaat er iets mis. De zorgzame helper kan zichzelf leeggeven. De uitdager kan verslaafd raken aan aandacht en applaus. De intellectuele scherpslijper wordt onzeker als hij niet meer de slimste oplossing weet aan te reiken. Elke relationele stijl heeft zijn gevaar. Elke stijl heeft zijn schaduwkant. Maar we moeten die schaduw niet verwarren met de hele persoon. Het probleem is zelden de stijl zelf. Er ontstaan problemen wanneer we onze stijl als de enige goede gaan zien. Of wanneer we onze natuurlijke stijl juist als 'onecht', 'onvolwassen' en 'ongezond aanpassingsgedrag' bestempelen. Of wanneer we geen mensen meer om ons heen hebben die dezelfde 'taal' spreken en dezelfde 'verbindingsstijl' hebben. Volwassen worden betekent dan juist niet dat je van stijl wisselt, maar dat je je eigen stijl leert kennen zonder ervoor te knielen. Dat je gaat zien: dit is hoe ik van jongs af aan verbinding heb gezocht. Hier liggen mijn relationele talenten. Hier ook mijn risico’s. En dat je dan langzaam een klein beetje 'meertalig' wordt. Niet omdat je jezelf moet uitwissen, maar omdat mensenkennis en naastenliefde rijpt. De harmoniezoeker mag leren dat waarheid niet meteen verlating betekent. De uitdager mag leren dat zachtheid geen manipulatie is. De analyticus mag ontdekken dat niet alles eerst gewonnen hoeft te worden in een debat voordat er weer contact is. En de klassieke pleaser mag ervaren dat verbinding ook blijft bestaan als niet iedereen tevreden is. Dat is volgens mij een gezonder en ook hoopvoller mensbeeld dan het huidige psychologische wantrouwen ten opzichte van pleasers. Niet: dit zijn de zwakken die pleasen en dat zijn de sterken die dat niet doen. Maar: hier heb je mensen, ieder met hun eigen vroeggeleerde stijl om liefde te krijgen, veiligheid te bewaren en verbinding op gang te houden. Mensen die allemaal, op hun eigen manier, verlangen naar de glimlach van de ander, naar herkenning, naar reactie, naar dat kleine wonder dat iemand zegt of laat voelen: ik zie je, ik hoor je, je bent welkom hier in mijn leven. Ten diepste zijn we allemaal pleasers. Zelfs Maarten van Rossem. Dat is niet beschamend of beschuldigend. Het is iets om respect voor te hebben. Het maakt ons tot mensen. Het is een andere manier om te zeggen dat de mens een relationeel wezen is, gemaakt voor contact, voor wederkerigheid, voor het zoeken naar een toon waar de ander een antwoord op kan geven. Niet iedereen doet dat met dezelfde klanken. Maar we zoeken allemaal diep van binnen naar de invulling van datzelfde verlangen: bestaan doordat de ander jou ziet. Dat is plezant. En als iemand na het lezen van dit artikel denkt: 'wat een gruwelijk dramatisch gezeik van een ongekend zielig seniel gehalte is dit', dan kan ik weer even grinniken. Omdat dat niet mijn taal is, maar ik het heus ook wel eens denk.
Voor veel mensen heeft Psalm 23 zoveel betekend. Voor mij ook. Een lied dat duizenden jaren geleden door een gevoelige, artistieke maar ook heel gelovige en dappere jonge man is geschreven. De #1Held van het oude testament, maar ook #1Gevoelsmens van het oude testament. Een man met een opmerkelijk zuiver hart. Maar ook een man met een opmerkelijke zwakke en zondige kant. De ultieme aanbidder van de hele Bijbel en de ultieme zondaar van de Bijbelse geschiedenis in één persoon. Een man naar Gods hart.
Ik heb geprobeerd de tekst van deze Psalm door me heen te laten gaan en in mijn eigen woorden en in een melodie te 'gieten'. Niet om de Psalm te veranderen, maar juist om de oorspronkelijke woorden van David tot mijn hart door te laten dringen. Mezelf er één mee te maken. Ik heb het (nog) niet zelf ingezongen, maar wel in mijn studio een AI demo gemaakt die alvast op YouTube en Spotify te beluisteren is. Er zit een klein foutje in de demo, waarvoor mijn excuses. Ik bid dat de vrede van deze Psalm door de muziek en de woorden je hart mag bereiken, juist als alles in je beeft. Wanneer je eenzaam de donkere nacht in moet of wanneer je voelt dat mensen negatief over je praten. Je mag wonen bij Hem. Je bent bent voor eeuwig verbonden met Hem. En ook met ons allemaal, de 'Davids' van deze wereld. Je hoort er bij. We lopen allemaal door een eigen dal van diepe duisternis. We zijn voor eeuwig verbonden door Hem. Het komt goed. [Verse] De Heere is mijn herder Ik kom werk'lijk niets tekort Hij laat mij liggen in het gras Daar waar mijn hart weer rustig wordt [Verse] Leidt mij naar het stille water Langs een stroom die vrede geeft Hij troost mijn ziel, wijst mij de weg Een weg die rechte sporen heeft [Chorus] U bent bij mij, U gaat mij voor Ik hoef niet bang te zijn U bent mijn kracht, U bent mijn schild Uw genade maakt mij rein Ik mag wonen in Uw huis Voor altijd dicht bij U Niets kan mij roven uit Uw Hand Oh Heer U draagt mij nu [Verse] Als ik door donk're dalen ga Waar licht nooit is geweest Ben ik niet bang, ik vrees geen kwaad Want U maakt mij onbevreesd [Verse] Het is Uw hand die mij beschermt Bij elke stap die 'k zet Uw trouw houdt stand, zij kent geen eind Ja, U bent het die mij redt [Chorus] U bent bij mij, U gaat mij voor Ik hoef niet bang te zijn U bent mijn kracht, U bent mijn schild Uw genade maakt mij rein Ik mag wonen in Uw huis Voor altijd dicht bij U Niets kan mij roven uit Uw Hand Oh Heer U draagt mij nu [Bridge] U dekt voor mij een tafel Als de vijand mij omgeeft U zalft mijn hoofd met olie Juist als alles in mij beeft Mijn beker stroomt steeds over Er is een hand die mij geleidt Wat kan mij nog gebeuren Als God mijn weg bereid [Instrumental following verse chords] [Chorus] U bent bij mij, U gaat mij voor Ik hoef niet bang te zijn U bent mijn kracht, U bent mijn schild Uw genade maakt mij rein Ik mag wonen in Uw huis Voor altijd dicht bij U Niets kan mij roven uit Uw Hand Oh Heer U draagt mij nu [Outro] Ja Uw goedheid en Uw liefde Uw genade en Uw trouw Zij zijn elke dag weer nieuw U bent de Rots waarop ik bouw [Instrumental Outro following verse chords] Tekst en muziek: Matthijs Goedegebuure - 1 januari 2026 Released on YouTube and Spotify (AI demo) Oftewel: elke psycholoog heeft zijn eigen psychologie. Dat is zowel krachtig als gevaarlijk. [In bewerking. Versie 14-12-2025 00.55] In de klinische psychologie wemelt het van de modellen en methodieken. Denk aan cognitieve gedragstherapie, schematherapie, EMDR, mentalization based treatment, Acceptance and Commitment Therapy, systeemtherapie, contextuele therapie en noem maar op. De overzichten variëren van honderden tot meer dan duizend modellen. Elk model heeft een ander perspectief op onze binnenwereld en onze psyche: de ene is vooral gericht op klachten en symptomen, de andere meer op denkpatronen, de volgende op relaties, weer een andere op identiteit of geloof. Biologisch, sociaal, psychologisch, psychodynamisch, filosofisch, fenomenologisch, praktisch, medisch, biopsychosociaal, hormonaal, ... het is bijna eindeloos. Elk van deze modellen heeft een eigen begrippenkader (‘taal’) en ook een eigen verklaring (‘verhaal’) voor mentale fenomenen als stemming, spanning, ontwikkeling, groei, fasen, hindernissen en hulp. Geen van deze modellen heeft de psychologische waarheid in pacht. Zowel de hoeveelheid modellen als de tegenstrijdigheid in hun verklaringen voor mentale problemen zegt al genoeg; het zijn sterke vereenvoudigingen van onze complexe binnenwereld. De een past beter bij een bepaalde cliënt, bij bepaalde problematiek, een therapeutisch proces of in een bepaalde levensfase dan de ander. De vraag is niet welke aanpak wetenschappelijk het best onderbouwd is (allemaal niet heel sterk) of welke theorie het meest lijkt te kloppen, maar welke manier van kijken het best aansluit bij dit verhaal, deze geschiedenis, en deze persoon in deze fase. Wat maakt een behandeltraject tot een 'goede therapie'? Goede therapie is niet een grabbelton van slimme interventies en technieken, maar vooral een steeds terugkerend, herkenbaar kader waarbinnen emoties, problemen, klachten, processen en adviezen geplaatst worden. Een therapeut die trouw blijft aan een zorgvuldig gekozen kader en daarbinnen flexibel is, biedt ordening, voorspelbaarheid en rust. De taal, de gebruikte begrippen, de metaforen en de manier van werken sluiten dan op elkaar aan en blijven herkenbaar voor de cliënt. Een goede therapeut weet nieuwe issues, ontmoedigingen en worstelingen hanteerbaar te maken door ze steeds te linken aan het inmiddels vertrouwde model. Dat geeft een cliënt met langer bestaande ernstige klachten houvast. Een herkenbaar, steeds terugkerend model zorgt bij complexe psychische problemen voor een centraal vertrekpunt. Een veilig ankerpunt in de soms wrede en hatelijke innerlijke conflicten in iemands binnenwereld. Dat model moet niet te abstract, niet te complex, maar ook weer niet te simplistisch zijn. Op zijn best is het zowel verklarend voor diepgevoelde innerlijke strijd, als ook praktisch toepasbaar in het dagelijks leven. Hoe complexer de problematiek, en hoe meer er al geprobeerd is, hoe belangrijker een 'maatwerk' model is: verweven met begrippen, namen, ervaringen, denk- en werkstijlen van de cliënt. Ideaal gesproken sluit het ook aan bij iemands natuurlijke 'taal': een manier van praten en betekenis geven die vertrouwd is. Uit onderzoek weten we dat behandelingen beter werken als therapeuten doen waar ze in getraind zijn, hun werkmodel serieus nemen en het niet steeds halverwege omgooien. Consistentie in taal en werkwijze en een veilige werkrelatie zijn waarschijnlijk belangrijker dan het nieuwste theoretische model of het laatste protocol. De keuze voor een bepaald model of een bepaalde benadering impliceert dat je je als therapeut bewust beperkt. Je belicht een aantal kernthema’s en honderden andere thema’s laat je bewust buiten beschouwing. Dat is wijs want door alles te belichten kun je als cliënt, maar ook als therapeut, compleet de weg kwijt raken. Dan verdwaal je in te veel perspectieven. Maar dat beperken is ook spannend voor elke therapeut omdat die honderden andere zaken die je niet belicht door een medebehandelaar of volgende therapeut als 'juist heel erg belangrijk' kunnen worden gelabeld. Vooral als er na een traject nog steeds klachten zijn. De kracht van beperking Het is voor elke ervaren therapeut, en zelfs ook voor iedere beginnende therapeut, een klein kunstje om een paar nieuwe invalshoeken in te brengen als je een behandeling overneemt. Of een paar zaken te belichten die nog nooit eerder zijn belicht. Omdat er in ieders leven duizenden dingen zijn om te belichten en honderden professionele perspectieven daarop. Er is altijd oneindig veel meer dat niet behandeld is dan wat er wel behandeld is. Het is daarom geen enkel probleem om als professional iets nieuws uit de ‘hoge psychologische hoed’ te toveren; de keuze is vrijwel eindeloos. Ik heb tienduizenden therapiegesprekken met cliënten gevoerd, maar als ik met een collega diepgaand over mijn eigen leven spreek, ontdek ik altijd weer iets nieuws of iets anders dat ik me nog niet eerder had gerealiseerd. Het laat zien hoe wonderlijk, complex en ontzagwekkend groots het leven is, hoe eindeloos veel er te ontdekken is en hoe beperkt alle psychologische modellen zijn. Onze binnenwereld is even wonderbaarlijk als het universum waarin we ons bevinden. We ontdekken steeds iets nieuws en elke nieuwe ontdekking roept ook weer nieuwe vragen op. De kracht van goede therapie is dus niet om alles uitputtend te belichten, maar juist om je te beperken tot die kernthema’s die voor deze client, in deze fase helpend en constructief lijken te zijn voor groei en ontwikkeling. En om dat middels een herkenbaar model te doen dat in de loop van de tijd vertrouwd wordt voor de client. Zodat hij of zij deze 'tools' en 'taal' voor interne krachten, conflicten en processen steeds meer kan integreren in de eigen coping-stijl. Dat is de kracht van professionele beperking. Een therapie hoeft niet ‘compleet’ te zijn; een therapie moet ‘effectief’ zijn: voldoende verklarend en voldoende toepasbaar. Niet meer dan nodig. Niet minder dan noodzakelijk. Iedere therapeut weet hoe ingewikkeld deze balans kan zijn. Daarbij probeer je aan te sluiten bij de denk- en ervaringsstijl van iemands binnenwereld. Een analytisch persoon probeer je iets meer verklaring aan te reiken. Een artistiek persoon iets meer helpende en herkenbare metaforen. Een sociaal, betrokken mens probeer je wat extra begrip en empathie mee te geven. Een rationeel type wat meer informatie. Maar je houdt het zo beperkt en daarmee zo herkenbaar mogelijk. Less is more. Jezelf als therapeut bewust beperken tot deze kernthema’s vraagt lef, overtuiging en geeft veel zorgverleners stiekem de angst om als 'onvolledig', 'te eenzijdig' of 'onprofessioneel' gelabeld te worden door anderen die de behandeling moeten overnemen of er bij betrokken worden. Verwarring door te veel verschillende perspectieven De behandeltrajecten in de GGZ zijn de afgelopen jaren gemiddeld genomen steeds korter geworden en meer modulair ingericht. Mensen worden sneller van de ene naar de andere module doorverwezen, en soms van de ene instelling naar de andere. Daardoor neemt mogelijk het risico op verwarring door verschillende modellen en benaderingen toe. Bij cliënten met langdurige of complexe problematiek kan dan bijvoorbeeld het volgende gebeuren:
Iedereen bedoelt het goed; daar is geen twijfel over. En ieder model is waardevol. Maar voor de cliënt kan het voelen alsof zijn of haar verhaal steeds uit elkaar getrokken wordt en er steeds andere verklaringen en adviezen zijn. De (onbedoelde) verborgen boodschap die de cliënt hoort is: je hebt jezelf weer niet goed begrepen, je bent opnieuw weer niet goed beoordeeld, niemand begrijpt jou, je bent een lastig geval, je moet weer opnieuw beginnen. Diepe paniek, zelfvervreemding en een diep gevoel van verlorenheid in het bestaan. Voor mensen met een onveilige hechtingsgeschiedenis en langdurige behandeling is dit gevaarlijk en kan tot diepe wanhoop, existentiële verwarring, angst en zelfs suïcidaliteit leiden. Zij scannen vanuit diepe onveiligheid voortdurend op afwijzing, onvoorspelbaarheid en dubbelzinnigheid in relaties. Een plotselinge verandering van taal en kader in de therapie kan bij hen voelen als: de vorige keuze was fout, mijn gevoel klopte blijkbaar niet, mijn vorige therapeut koos het verkeerde pad, ik heb het niet goed uitgelegd. De therapeutische ontwikkeling valt dan in tegenstrijdige fragmenten uit elkaar. Dat kan een herhaling worden van oude ervaringen van niet gezien, niet begrepen, verlaten, verwaarloosd benadeeld of zelfs misbruikt worden. Het gevaar van modelconcurrentie Therapeuten staan aan het begin van een traject (soms onbewust) voor de uitdaging om hun client te overtuigen van de toegevoegde waarde van therapiegesprekken. Dat is niet altijd eenvoudig. Het is verleidelijk om de beperking van een voorgaand traject in te zetten als een argument voor dit traject en je eigen model als een toch iets beter model te presenteren. Op die manier creëren we een soort concurrentie tussen onze werkwijzen of therapeutische scholen. Het klinkt dan ongeveer zo:
Of we doen het nog subtieler: het hele model of kader waar de cliënt mee gewerkt heeft en de taal die ontwikkeld is verdwijnt naar de achtergrond, er wordt nauwelijks naar gevraagd en er wordt ongevraagd een totaal nieuwe manier van kijken neergezet. Voor ons als professionals misschien een interessante therapeutische en diagnostische puzzel en een frisse start, voor onze een cliënt met complexe, langdurige problematiek een volgende traumatische breukervaring. Soms doen we dit uit enthousiasme voor een favoriet psychologisch model dat als superieur wordt gezien, soms uit onwetendheid over andere behandelmodellen. Dit is het gevaar van 'modeldominantie': ons eigen vertrouwde model 'domineert' alle andere modellen en benaderingen. In de psychologie is dat gevaar mijns inziens veel groter dan in medische vakgebieden zoals cardiologie, chirurgie, etc. Dat is omdat er in de medische wetenschap per periode in de geschiedenis meestal één stroming is die het debat bepaalt met een bepaald model. In de psychologie zijn er altijd meerdere stromingen naast elkaar met ieder hun eigen model voor verklaring en behandeling. Als je een kwetsbare cliënt zonder zorgvuldige brug van het ene naar het andere model stuurt, kun je ernstige en zelfs blijvende schade aanrichten. Dan gaat het niet alleen over psychologische interventies en methodieken, maar over alles wat jarenlang vertrouwen, hoop, houvast, veiligheid, eigen taal en waardigheid heeft gegeven. De onveilige wereld wordt daarmee nog onveiliger en de cliënt is terug bij af, of zelfs dieper weggezakt dan ooit. Therapeuten met enkele jaren werkervaring lopen misschien een iets grotere kans op deze fout dan de echte beginners of juist zeer ervaren therapeuten. Laten we even denken in 'beginners', 'gevorderden' en 'experts'.
Als je begint, maar ook als je jaren lang in dit vak hebt gewerkt, heb je meer ontzag voor de complex psychologische werkelijkheid, ben je je beter bewust van de beperkingen van je eigen kennis en je eigen modellen en respectvoller naar het werk van collega's. Het is in die 'tussenfase' na enkele jaren werkervaring dat onze 'eigenwijsheid' het grootst is en onze corrigeerbaarheid het laagst. Daar staat tegenover dat ervaren therapeuten het soms lastiger vinden om zich te beperken tot de kern. Hun nuance en ervaring kan ongemerkt leiden tot te veel verbreding, te veel modellen die door elkaar gaan lopen, waardoor de therapie voor een client diffuser, waziger en minder effectief wordt. Aan de andere kant: de stelligheid en modeldominantie van de 'gevorderde', dus tussen de 'beginner' en 'expert' in, kan onzekere cliënten ook juist veel houvast en helderheid bieden. Wat elke volgende therapeut zou moeten doen Als je een cliënt overneemt van een collega, zeker in deze tijd van kortdurende en modulaire zorg, vraagt dat een hoge mate van vakmanschap en professionele bescheidenheid. In mijn ogen hoort daar minstens bij:
Je hoeft de vorige behandeling niet te idealiseren. Elke behandeling is immers beperkt en elke therapeut mist zaken en maakt fouten. Maar het kan zeker schadelijk zijn om een voorgaande behandeling achteloos weg te zetten. De cliënt heeft daar vaak moed verzameld, woorden en veiligheid gevonden voor schaamte en pijn, misschien voor het eerst iets van betekenis en houvast ervaren midden in wanhoop en verwarring. Als we dat zomaar terzijde schuiven, raken we meer dan slechts een visie, een model of een behandelplan. Het kan tot een diepgaande existentiële crises en suïcidaliteit leiden omdat een moeizaam verworven houvast ineens uit handen getrokken wordt. Zowel iemands zelfvertrouwen als het vertrouwen in hulpverlening kan daarmee zwaar beschadigd raken. Dit is een ernstige vorm van hertraumatisering. Mijn beste suggestie voor behandelaars Als therapeuten willen we graag iets toevoegen. Dat is mooi en vaak ook gewenst en nodig. Maar misschien begint goed hulpverlenerschap niet bij laten zien wat ik anders doe, of wat de vorige therapeut miste, maar bij eren en recht doen aan wat er al met zoveel moeite is opgebouwd of minstens geprobeerd. Vanuit de wetenschap weten we dat een betrouwbare relatie, een duidelijk kader en een consistente, herkenbare lijn cruciale werkzame factoren zijn. En vanuit het besef dat echte verandering langzaam groeit in een bedding van voorzichtigheid, trouw en herkenbaarheid, niet in steeds weer een nieuwe vorm. Een volgende therapeut die zorgvuldig verder bouwt op wat anderen met de cliënt hebben opgebouwd, geeft iets heel kostbaars mee: continuïteit. Respect. Vertrouwen in anderen. Vertrouwen in de eigen visie van de cliënt en het eigen narratief. Dat is als therapeut geen verlies van je eigen stijl of expertise, het is professioneel aansluiten bij het goede dat de cliënt zelf met anderen heeft opgebouwd. Zodat wat goed was ook goed blijft en er meer goeds aan toegevoegd kan worden. Dat helpt! Dat is mijn eerlijke gedachte hierover en mijn beste advies. Wat als je veel wisselende behandelaars hebt?
Voor iedereen die door omstandigheden in de loop der jaren meerdere of wisselende behandelaars heeft: blijf altijd zelf kritisch nadenken over de adviezen van elke (vorige en volgende) therapeut. Je hebt inmiddels veel ervaring met je eigen proces, met therapie en met behandelaars, dus je hebt er echt iets over te zeggen! Besef dat iedere behandelaar (en überhaupt elk medemens van je) slechts een stukje van jou ziet. Meestal datgene waar ze zelf in gespecialiseerd zijn. Dat is misschien 3, 4 of 5 procent van wie je bent. Besef dat ze hun beeld vormen op basis van wat zij nu zien. Jij alleen weet waar je al doorheen bent gegaan. Ga voor jezelf na:
Door jezelf dit soort vragen te stellen en je gedachten hierover ook aan je huidige therapeut voor te leggen, blijf je zelf de regie houden. Wat mij betreft één van de belangrijkste elementen in elke therapeutische relatie: jij bent als cliënt de baas over de onderwerpen die je bespreekt, over jouw doelen, over jouw behoeften, jouw grenzen en over de tijd en de energie die je in een traject steekt. Jij alleen bepaalt hoe lang je hier nog mee door wil gaan. Het gaat meestal mis wanneer wij als behandelaars of verwijzers te bepalend gaan worden; dat is overigens soms ook uit oprechte zorg, betrokkenheid en medeleven. Helaas soms ook wel eens uit te voorbarige of stellige overtuigingen over jouw problematiek of je voorgaande trajecten. Geef je nieuwe therapeut natuurlijk ook een kans. Het fijne en helpende van een nieuwe behandelaar is een frisse blik, een ander perspectief, nieuwe vragen, nieuwe inzichten. Het kan zomaar zijn dat iets wat een paar jaar geleden (nog) niet werkte, nu wel werkt. Een nieuwe therapeut kan soms juist beter aansluiten bij waar je nu bent dan een vorige therapeut omdat die na een intensief traject met jou per definitie ook in een bepaald patroon is terechtgekomen inclusief de blinde vlekken die daar bij horen. Als het mogelijk is: breng je voorgaande en huidige therapeut met elkaar in contact of vraag om een overleg/overdracht met beiden waar je zelf bij bent. En als dat niet lukt en je het na alle uiteenlopende adviezen allemaal niet meer weet of begrijpt, voel je met al je levenservaring diep van binnen nog steeds wat goed was en is. Ook dat is een betrouwbaar kompas. Twijfel daar nooit aan 👊! Ik wens je veel sterkte, vrede en ruimte en vrijheid in je geweten om op je eigen mening te durven staan en je eigen behoeften voor jezelf helder te houden. 30/11/2025 0 Opmerkingen Foute boel. Echt foute boel ...Wadi Hammamat - Oostelijke Woestijn Egypte, 27 februari 1968 00.23 uur
De eenzame koplampen van de grommende Landrover probeerden met al hun gloeivermogen de duisternis van de nacht te doorboren om de nauwelijks begaanbare weg zichtbaar te maken. De auto slingerde ruw heen en weer door alle kuilen, geulen en stenen. Als een soort rammelende winkelwagen die de berg af kwam stuiteren. De twee lichtbundels schoten wild alle kanten op waardoor Lennard steeds maar een paar seconden zicht had op de vage wielsporen in het zand die hij probeerde te volgen. Soms waren er geen wielafdrukken meer te zien en reed hij op goed geluk maar door, hopend dat hij even verderop weer een soort spoor zou ontwaren. Dit was de inktzwarte duisternis van de eenzame, verlaten Egyptische woestijn in haar meest rauwe vorm. Er was deze nacht nog een heel dun streepje maan, maar dat was niet genoeg om echt licht te geven. Ook de indrukwekkende sterrenhemel boven de donkere woestijn kon niets aan de zwarte duisternis veranderen. De schokken en klappen die de auto te verduren kreeg lanceerden Lennard steeds een paar centimeter de lucht in vanaf zijn bestuurdersstoel, alsof hij een machteloos kind op een op hol geslagen paard was. Ondertussen trok hij intuïtief het stuur hard heen en weer om de grootste kuilen en stenen te ontwijken. De moeiteloos draaiende maar luidruchtige dieselmotor maakte iedere keer een extra zwaar grommend geluid als hij gas gaf om niet vast te raken in het zand. Hij moest de auto in beweging zien te houden. De combinatie van vaart en massa trok hem door kuilen waar hij met een langzamer tempo ongetwijfeld vast zou komen te staan. Stilstaan kon het einde betekenen. Letterlijk het einde. Ze zaten niet ver achter hem. Misschien zelfs al binnen schietafstand. Deze gevaarlijke nachtrit door de eindeloze, onherbergzame donkere wildernis had eigenlijk al zijn focus nodig. Echt alles. Dit was heftiger dan de East African Safari Rally waar hij wel eens over had gelezen. Eén verkeerde stuurbeweging kon fataal zijn voor de wielophanging of de schokbrekers van de Landrover. Dan was het game over. Dood. Of nu direct door kogels of misschien zelfs marteling en anders in de komende dagen door hitte en uitdroging. Maar Lennards ogen, armen, handen en benen stonden volledig op de automatische piloot. Zijn lijf was een autonome stuurmachine geworden; zijn geest was totaal ergens anders. ‘Jezus!!! Red me … !!!’. Hij schreeuwde het uit dwars door het zware geluid van de dieselmotor en alle gerammel in de ijzersterke rumoerige Landrover. Zijn stem kwam er net bovenuit. Hij zag zijn levensweg. Ook een weg met kuilen, blokkades, rotsblokken, duisternis, eenzaamheid, angst. Zonde, pijn en leugens. Hij was altijd op de vlucht. Er zat altijd iets achter hem aan. Het was altijd maar overleven. ‘Jezus … !!! JEZUS!!!’ Hij riep zo hard als hij kon. De rechthoekige vooruit weerkaatste zijn stemgeluid. Hij schreeuwde het uit vanuit de eenzame woestijn van zijn ziel. ‘Jezus, zoon van David ... Jezus, HELP!!!’ In een flits zag hij voor zich hoe God hem altijd weer had gered; uit elke situatie. Keer op keer. Hij verscheen altijd weer, op een of andere onvoorspelbare manier. En iedere keer als Hij verscheen werd duidelijk dat Hij nooit weg was geweest. ‘Vergeef me … ‘ riep hij ineens terwijl hij de grommende Landrover naar links probeerde te sturen. ‘Ik roep altijd als ik in de ellende zit. Vergeef me … dat ik zo weinig bezig ben geweest met Uw plannen … met Uw zaak op deze wereld. Help me … ik wil me meer om U en Uw Koninkrijk bekommeren in plaats van alleen maar om mezelf.’ Tranen liepen langs zijn wangen. ‘En om [naam] … ik ben meer met haar dan met U bezig … terwijl ik weet dat U nog meer van haar houdt dan ik …‘ ‘Dat is dan wel heel veel’ fluisterde hij er achteraan. Ook voor haar was Hij er altijd geweest. Daar hadden ze het vaak over gehad. Ze deelden dezelfde ervaringen. Zijn maag kromp ineen toen hij aan haar dacht. Het beeld van hun laatste moment met elkaar bleef hem achtervolgen. Haar ogen hadden boekdelen gesproken. Het laatste gebaar dat ze maakte toen ze in de deuropening stond was vertrouwd geweest. Maar de blik in haar ogen was dof, diep en ernstig. Het was dezelfde angstige, bezorgde, verdrietige en wanhopige blik als bij hun eerste ontmoeting zoveel jaren geleden daarvoor. Ze keek alsof iets of iemand haar bang had gemaakt en macht over haar had. Iets kwelde haar en had alle oude scripts van verwerping, onveiligheid en wantrouwen weer gereactiveerd. Ze kon duidelijk geen kant meer op. Met grote bezorgdheid had hij haar laten gaan. Biddend. Sindsdien was ze spoorloos en had hij niets meer van haar vernomen. Behalve dat ene belangrijke briefje dat hij altijd bij zich droeg. Dat was hem kil overhandigd door de man die nu met anderen achter hem aan zat. ‘Ze wil niets meer met je te maken hebben. Nooit meer. Blijf uit haar buurt anders nemen we maatregelen.’ Hij had direct haar handschrift herkend. En de boodschap die alleen hij kon begrijpen. De code die niemand kende. Hij bad. Elke dag. Elk uur. Ze was in gevaar. Misschien hadden ze haar wel meegenomen in de auto die hem nu achtervolgde. Arme, arme [Naam]. Tegelijkertijd had hij ook een bepaalde sympathie gevoeld voor die kille man. Hij vocht voor [naam] zoals hij zelf ook voor haar vocht. Dat gevecht deelde hij verder met niemand op deze planeet, alleen met hem. Wie weet konden ze daar ooit eens een gesprek over hebben. Het kostte Lennard niet veel moeite zich in hem te verplaatsen. Als de rollen omgedraaid waren geweest had hij misschien wel hetzelfde gedaan. Dat was een raar idee … Maar vooralsnog had hij zijn handen vol aan 'staying alive'. Hij moest niet vast komen te zitten hier. De zware dieselmotor ging van 1500 naar soms 3000 toeren als hij weer hobbelend een zandheuvel opreed in de donkere woestijn. Deze wagen was echt onverwoestbaar. Het enige dat hier in Egypte spannend was was de kwaliteit van de dieselolie. - - - Hij zag haar weer naast zich op de grond zitten. Ze was volkomen uitgeput, wanhopig, moegestreden. ‘Mag ik even op je leunen, Len?’ vroeg ze met zachte, bijna fluisterende stem. ‘Ja natuurlijk …’. Ze had haar hoofd voorzichtig op zijn schouder gelegd. Hij rook haar haren. Een mix van iets te veel nicotine en lekkere frisse shampoo. Een wonderlijk vertrouwde geur. Een diep gevoel van dankbaarheid en rijkdom vervulde hem. Hij wist dat hij haar voor de rest van haar leven zou beschermen tegen alles wat haar nog meer pijn zou kunnen doen. Dit mocht hem alles kosten. Ze was de prijs waard. Hij had nooit gedacht zoveel van iemand te kunnen houden. Hoe meer ze zichzelf haatte, vervloekte en verwondde, hoe meer hij van haar was gaan houden. Hoe meer ze hem had gewaarschuwd tegen het duister in zichzelf, hoe meer hij onder de indruk was geraakt van haar puurheid en hoe meer respect hij voor haar had gekregen. Hij besefte dat hij de rijkste en gelukkigste man op deze wereld was. De enige met wie ze haar hart durfde te delen. De eerste tegen wie ze alles had durven zeggen. Alles. Hij voelde hoe ze steeds meer ontspande en tegen hem aan durfde te hangen. ‘Bij jou ben ik veilig Len … jij begrijpt me echt ... dankjewel ...‘ . Hij legde zijn wang op haar hoofd. De geur van haar haren drong dieper tot hem door. Hij beloofde zichzelf en God dat hij haar voor de rest van zijn leven in zijn hart zou dragen. Wat er ook zou gebeuren, en wat het hem ook zou kosten. Hij zou haar beschermen als een kostbare parel uit een donkere, ijskoude en gruwelijk diepe eenzame oceaan. Niets, maar dan ook ook echt niets, mocht haar nog verder beschadigen of verdriet doen. Het was genoeg geweest zo. ‘Je bent veilig, het is goed …’. fluisterde hij. Terwijl hij dat zei voelde hij een grote verantwoordelijkheid op zijn schouders komen. Maar ook de kracht die verantwoordelijkheid te dragen. Hij was er klaar voor. Hier was hij voor gemaakt en gevormd door alle ellende en eenzaamheid in zijn eigen leven. Veilig ... wat is veilig? Hij zag in een flits dat er nog een lange weg was te gaan voor ze eindelijk thuis zouden komen. Een hele lange weg. Samen. Maar ook afzonderlijk. Dit ging nog pijn doen. Veel pijn. Er zou nog een zwaard door hun beider ziel gaan. Maar dit ging lukken; het zou uiteindelijk goed komen. Hij voelde een diep vertrouwen. Niet in zichzelf maar in de toekomst. It's a long road home ... - - - De dieselmotor trok de auto moeiteloos een volgende zandheuvel op, al liep het toerental wel iets terug als hij steil naar boven reed. Hij had zijn hand op de pook maar terugschakelen was net niet nodig; de motor kwam niet onder de 2000 toeren. Hij keek in de grote trillende buitenspiegel. Geen koplampen te zien. Maar ze konden niet ver achter hem zitten en konden ook zonder licht rijden. Zijn hart bonkte in zijn keel. 'Jezus ... '. Waar was Hij nu ... ? Hij was er altijd. Lennards ogen schoten snel heen en weer over de zwak verlichte dashboardmeters van de Landrover. Zijn geest stond nu voor alles open. Hij rekende op iets; hij zocht naar iets. Iets dat hem zou redden. Hij stond nergens meer van te kijken. Voor hetzelfde geld kreeg de Landrover ineens vleugels en kon hij de woestijn ontstijgen. Of werd hij nu echt gek ... ? Zijn zoekende gedachten werden ruw onderbroken door een harde klap die door de hele auto ging. De stabiele, sterke dieselmotor haperde nog even en viel toen abrupt stil. 'Nee ... nee .... !!!' Lennard trapte in een reflex de koppeling in en gaf een paar keer gas in de hoop dat de motor weer aan zou slaan. Maar het gaspedaal deed niets meer. Niets. Echt niets. Behalve dat de veer onder het pedaal bij iedere keer dat hij trapte metaalachtig piepte met een soort naargeestige galm er bij alsof het geluid weerkaatste in een grote ondergrondse kerker. De Landrover hobbelde al rammelend met tegenzin nog over een paar zandbulten en kwam abrupt tot stilstand in het woestijnzand. Vast. De ijzeren veer galmde nog even na. Het was ineens stil. Akelig stil. 'God ... Jezus ... NEE ... !!!' Dit was foute boel. Echt foute boel ... Maar de opkomende paniek en doodsangst werden direct door iets onverklaarbaars in hemzelf snel weggedrukt. Volledig zelfs. Hij voelde zich bizar kalm worden. ‘Oke, Len … je hebt voor hetere vuren gestaan. Rustig … eerst even luisteren of je ze hoort.’ Lichten uit. Riemen los. Hij tastte met zijn rechterhand naar de holster met zijn pistool. Oké. Hij deed zijn portier een stukje open en luisterde geconcentreerd met zijn ogen dicht. … Lees verder in 'Contrast' ... [In bewerking. Versie 02-11-2025 14.09] Eén van de dingen die ik als hulpverlener gaandeweg heb moeten leren was om mezelf niet als 'leraar', maar als 'leerling' op te mogen stellen in het leven van de ander. Bescheidenheid is niet alleen gepast maar ook helpend wanneer je met iemand mee mag denken, mee mag zoeken in zijn of haar strijd met het leven. Zeker als die strijd al jarenlang duurt en iemand al van alles heeft geprobeerd om vol te houden of verder te komen. Iedere therapeut die wat langer in het vak zit heeft een heleboel woorden, modellen en theorieën waarmee je al snel taal kunt geven aan allerlei psychologische processen. Mijn schrijfsels in dit 'schrijfatelier' zijn daar een klein voorbeeld van. Maar geen van deze schrijfsels kan de werkelijkheid goed beschrijven waar jij al jaren in leeft. En hoe het is om daarin te moeten leven en daar alleen in te zijn. Mijn woorden schieten tekort. Hoeveel ik er ook schrijf. Want het zijn mijn woorden. Wat voor mij een slootje is om over heen te springen is voor jou misschien een woest kolkende rivier die overgestoken moet worden. En wat voor mij een onoverkomelijke, dreigende rivier is, is voor jou misschien een drooggevallen sloot waar je zo overheen stapt. En wat de één in drie maanden voor elkaar kan krijgen, kan een ander tien jaar kosten. Eén van mijn grootste moeiten in mijn vak is altijd geweest: 'overleg' met collega's over een cliënt. Niet omdat dat zo moeilijk is, maar juist omdat het voor ons in dit vak zo griezelig makkelijk is! We kunnen als 'professionals' zonder veel moeite een hoop woorden en termen uit onze mouw schudden bij de meest schrijnende levensverhalen. In een kwartier tijd kunnen we vanuit onze theorieën, de DSM en nog wat veelgebruikte termen uit de Schematherapie in onze veilige professionele taal iemands levensloop, patronen en problemen even 'duiden'. We zien al snel de 'toch wat borderline-achtige persoonlijkheidsstructuur', de 'onveilige hechting', de 'onvolwassen patronen', de 'beperkte emotieregulatie', de 'ongezonde communicatie', de 'overlevingsstrategieën', de 'dreigende decompensatie'. En als we er niet goed uitkomen grijpen we graag naar 'aanwijzingen voor gemaskeerde ASS-problematiek', een 'patroon van splitting', 'onderliggende persoonlijkheidsproblematiek' en zo kan ik nog een aantal therapeutische stokpaardjes noemen. Ik zeg dit niet als een verwijt, maar vanuit een (hopelijk gezonde) zelfkritische houding naar mijn eigen vakgebied. Met respect naar mezelf en mijn hardwerkende collega's van wie verwacht wordt dat we in een aantal sessies therapeutische doelen bereikt hebben. En in ieder geval vermindering van symptomen kunnen aantonen met vragenlijsten. Ik geloof in het belang van een eerlijke, respectvolle en open ontmoeting met de 'ander'. Een besef dat we elkaars drinkbeker niet zomaar zouden kunnen drinken. Een besef op deze dag dat ik als hulpverlener morgen ook de hulpvrager kan zijn. En dat deze cliënt ook mijn therapeut had kunnen zijn als een paar dingen in onze levens net anders waren gelopen. Als je hulpverlener, metgezel of naaste van iemand bent: sta je zelf toe om respectvol, blanco en 'bewust onwetend' het levensverhaal van de ander te mogen betreden. Het is een grote eer om als gast in iemands wereld toegelaten te worden. Vergeet dat nooit. Durf eerst een 'leerling' te zijn van je cliënt of naaste. Verwonder je erover hoe hij of zij elke dag de dag weer doorgaat en doorkomt met de last die er te dragen is. "Echte experts zien zichzelf als leerlingen. Wie zichzelf een expert noemt, heeft nog veel te leren." Ben je cliënt of hulpvrager: geef je hulpverlener de tijd om jou te leren kennen en neem je eigen levenservaring, je eigen levenslessen en je eigen behoeften serieus. Jij alleen weet wat het tot nu toe heeft gekost om 'jij' te zijn. Om jouw leven te moeten leven. En waar je in je levensreis doorheen bent gegaan en nu doorheen gaat. Wat hielp. En wat niet hielp. Wat past en wat niet past. Alle psychologische en therapeutische termen van een ander schieten per definitie tekort om dat te beschrijven want het zijn woorden die voor duizenden mensen gelden. En jouw leven is niet dat gemiddelde leven van die duizenden.
Tegelijkertijd is dat ook niet erg. Wanneer je merkt dat een hulpverlener dat beseft en respectvol zoekt om zich zo goed mogelijk te verplaatsen in jouw wereld, jouw gevoelens en jouw strijd, geeft dat al hoop. En erkenning. En ook voor deze tekst en al mijn schrijfsels geldt: het zijn woorden die slechts ten dele kloppen. Respect voor jou en alles wat je tot nu toe gedragen of overwonnen hebt. Dank voor alles wat ik van jou heb mogen leren! Het helpt mij om mijn eigen strijd beter te kunnen strijden. Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuwigheid in hun hart gelegd, zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde. (Prediker 3:11)
[In bewerking. Versie 28-10-2025 23.00] Afgelopen week sprak ik iemand die ik al lang niet had gesproken. We spraken na wat koetjes en kalfjes al snel van hart tot hart over wat er in ons leven, in de wereld en in ons vakgebied gebeurt in de afgelopen jaren. Er was ruimte voor verwondering, ontmoeting, rust, enthousiasme en een oprecht, eerlijk en puur meezoeken met elkaar naar Gods hand in ons leven en in de wereld om ons heen. Het deed me beseffen dat er iets in ons hart gelegd is dat boven de tijd verheven is. Je kunt iemand jaren niet spreken, maar als je allebei verbonden bent met de eeuwigheid, kun je de draad zo weer oppakken waar die jaren geleden neergelegd is. Tien jaar voelt als een paar uur. Mijn schoonvader is ruim 20 jaar geleden overleden, maar als hij nu hier in mijn kamer zou binnenlopen kunnen we zo verder praten waar we gebleven waren in ons allerlaatste gesprek over God, het leven, zonde, dood, liefde en genade vlak voor hij stierf in 2002. Hij was niet iemand in mijn leven, hij is iemand in het geheel van mijn leven. Toch kan dit soort ontmoetingen ook niet zomaar ontstaan. Het kan misschien alleen als je in een situatie bent gekomen waarin je de controle over je leven hebt moeten loslaten. Ik zeg 'moeten loslaten', want het zit niet in mijn aard (en waarschijnlijk ook niet in jouw aard) om die controle los te laten. Veel mensen hebben net als ik moeten ontdekken dat loslaten pas lukt wanneer je niks meer te verliezen hebt: wanneer je aan het eind van je Latijn bent, rock-bottom (of juist mountain-top: je hebt alles wat je ziel begeert en er is niks meer om naar uit te zien) of op de rand van leven en dood. Het is uiteindelijk in die situatie, in die toestand, dat ons brein minder 'tijdprojectie' vertoont. De hersennetwerken die verbonden lijken te zijn met het analyseren van het verleden en het bedenken van toekomst worden minder actief. Wat overblijft is het 'tijdloze': de eeuwigheid. De essentie. Verweven met het 'nu'. In de situatie van totale uitputting kunnen we onze geest vaak pas overgeven in de handen van de Vader omdat we Hem dan pas (weer) zien als Degene die (er) is. 'Nu' en 'eeuwig' hebben één ding gemeen volgens diepe denkers als Albert Einstein en C.S. Lewis: tijdloosheid. Net als licht. Voor lichtdeeltjes (fotonen) bestaat er geen tijd; ze verplaatsen zich met lichtsnelheid en bij die snelheid bestaat 'tijd' niet meer. Als we zelf met de snelheid van licht zouden kunnen reizen zouden we het ontstaan van de kosmos, de geschiedenis van de wereld, van jouw en mijn leven, van Gods plannen en alle wonderlijke ontwikkelingen in ons leven in één oogwenk zien. Je zou geen volgordes in tijd meer zien, maar een tijdloos totaalbeeld dat al je voorstellingsvermogen op dit moment eindeloos ver te boven gaat. Misschien is licht wel fundamenteler voor het begrijpen van de werkelijkheid dan tijd. De volgorde speelt dan geen rol meer, alleen nog de essentie van wat er is. Alles wat er vanuit het tijdelijke waar we nu in zitten was of nog moet komen, vermengt zich met elkaar tot wat het ten diepste is. Ons verstand zoekt graag naar wat er al was, of naar wat iets zal worden of wat nog gaat komen. Het tijdloze in ons hart beseft dat niks was wat het in essentie niet is, en niks zal worden wat het nu (ten diepste) al niet is. Maar dat is voor ons beperkte verstand moeilijk te betreden. Tenzij ... : je aan het eind van al je mogelijkheden bent. Je de dood voor ogen ziet. Totaal uitgeput bent. Je elke dag of zelfs elk moment moet leven alsof het je laatste dag is. Als elke ontmoeting met een medemens je allerlaatste ontmoeting met die persoon kan zijn. In die toestand komen we meer in verbinding met het nu en de eeuwigheid. Dan zijn we niet meer met onszelf bezig, maar met het wonder van het leven en de diepste waarheid over dat leven. In die situatie zijn we misschien wel het meest ons 'zelf'. In die toestand besef je meer dan ooit hoe waardevol je leven is en hoe dierbaar je naasten, je geliefden, je voorouders en al je medereizigers die jou gevormd hebben voor je zijn. En vanuit het tijdelijke gezien dus ook waren en ook zullen blijven. Het is in die toestand dat we de diepste antwoorden vinden op de verzoekingen en beproevingen van het leven. Het toont je de weg die moet gaan. De Weg, de Waarheid en het Leven ... Wens ik je dus totale uitputting toe en de rand van leven en dood ... ? Dat weet ik niet goed. Ik wens je de verbinding met het eeuwige, het tijdloze toe dat God in je hart heeft gelegd. Ik bid dat je niet méér moet lijden dan nodig is daarvoor, maar dat zeg ik met met grote voorzichtigheid en veel respect voor ieders lijden. 15/10/2025 0 Opmerkingen We hebben allemaal bubbels nodigDe mythe van de bubbelvrije mens
Het woord 'bubbel' is in de afgelopen jaren veranderd van een neutrale metafoor in een morele kwalificatie. Als je 'in een bubbel zit', zo suggereert het, ben je beperkt, bevooroordeeld of onvoldoende kritisch. Het is een subtiele diskwalificatie. En niet zelden fungeert het woord als intellectueel stopbord: jij zit in een bubbel, dus jouw positie hoeft niet meer serieus onderzocht te worden. Daarmee wordt iets fundamenteels over het hoofd gezien. Mensen vormen altijd betekenis binnen gedeelde contexten. Dat is geen tekortkoming, maar een antropologische constante. De sociale aard van identiteit Vanuit de sociale identiteitstheorie weten we dat ons zelfbeeld grotendeels gevormd wordt door de groepen waar we bij horen. Onze familie, beroepsgroep, geloofsgemeenschap, politieke stroming, vriendennetwerk. Die groepsverbanden leveren taal, normen en referentiekaders. Zonder dergelijke kaders is er geen stabiele identiteitsontwikkeling mogelijk. Hechtingstheorie laat zien dat veiligheid primair relationeel is. Een mens ontwikkelt zich in verbinding. Zelfs onze neurobiologie weerspiegelt dat: sociale uitsluiting activeert hersengebieden die ook betrokken zijn bij fysieke pijn. Verbondenheid is geen luxe, maar een basisbehoefte. Wanneer we spreken over bubbels, spreken we in feite over hechtingscontexten waarin gedeelde betekenissen worden gevormd. Het probleem is dus niet dat zulke contexten bestaan. Het probleem ontstaat wanneer verbondenheid wordt verward met geslotenheid. Verbondenheid versus geslotenheid In het publieke debat worden drie zaken vaak op één hoop gegooid:
Alle mensen hebben het eerste. Veel mensen ervaren het tweede in meer of mindere mate. Het derde is waar het risico ligt. Een gezonde gemeenschap biedt veiligheid én reflectie. Zij maakt verbondenheid mogelijk zonder kritiek onmogelijk te maken. Een ongezonde gemeenschap sluit afwijkende informatie systematisch uit en maakt loyaliteit belangrijker dan waarheid. Het label bubbel maskeert dit onderscheid. Het maakt van elke vorm van groepsvorming een verdacht fenomeen. Daarmee ondermijnt het een van de pijlers van menselijke ontwikkeling. De asymmetrie van het begrip: 'mijn groep is een groep, jouw groep is een bubbel'. Interessant is dat het woord vrijwel altijd asymmetrisch wordt gebruikt. 'Mijn gemeenschap is gezond, het is een netwerk, een traditie, een vakgebied. Jouw gemeenschap is ongezond, het is een bubbel.' Die asymmetrie verraadt een impliciet normatief kader. Het eigen referentiekader wordt ervaren als neutraal of universeel. Het referentiekader van de ander wordt gezien als particulier en beperkt. Dat is op zichzelf al een vorm van groepsdenken. Wie werkelijk kritisch wil zijn, moet erkennen dat ook het eigen denken ingebed is in sociale structuren. Er bestaat geen bubbelvrije positie. Er bestaat alleen meer of minder bewustzijn van de eigen inbedding. Meervoudige verbondenheid als correctiemechanisme Onderzoek naar polarisatie en epistemische geslotenheid laat zien dat het niet het bestaan van groepen is dat tot radicalisering leidt, maar de afwezigheid van overlappende netwerken. Wanneer mensen meerdere sociale identiteiten hebben die elkaar kruisen, vermindert de kans op extreme wij tegen zij dynamiek. Met andere woorden: het antwoord op problematische bubbels is niet het ontkennen van groepsvorming, maar het stimuleren van meervoudige verbondenheid. Wie zowel professional als ouder, zowel gelovige als muzikant, zowel denker als doener is, leeft in overlappende sferen die elkaar corrigeren. Taal als ontgifting Het herdefiniëren van het woord bubbel is geen semantisch spelletje. Het is een poging om een moraliserend frame te ontmantelen. Wanneer we erkennen dat iedere mens leeft binnen betekenisgevende contexten, verschuift het gesprek van beschuldiging naar kwaliteit. De relevante vraag is dan niet: zit jij in een bubbel? Maar: hoe doorlaatbaar zijn jouw verbondenheden? En hoeveel verschillende werelden durf je te betreden zonder je identiteit te verliezen? Dat gesprek is minder polariserend en intellectueel eerlijker. [Draft; in bewerking 12-10-2025 23.03] Het is inmiddels ruim 30 jaar geleden. Ik zat als 26-jarige junior-psycholoog met een collega na werktijd aan onze bureaus in een diep gesprek over het leven, God en wat de toekomst ons misschien zou brengen. Het was ergens midden in de jaren '90, de tijd waarin we Don Fransisco, Ralph van Manen en Kenny Marks draaiden. Mijn collega vertelde me dat zijn mentor had gezegd: 'Eén van de grootste uitdagingen in dit leven is om nooit mensen als je vijand te zien, maar de kwade krachten erachter. Daar vechten we mee. Nooit met mensen.' Waarheid herken je op een of andere manier direct. Ik wist diep van binnen gelijk dat dit 'waar' was. Ik zie de kamer waarin we zaten toen hij dat zei nog voor me. In de loop van mijn leven heb ik hier vaak aan moeten denken.
Er zit zowel iets bevrijdends, als ook iets verontrustends in het besef dat niet mensen onze echte vijanden zijn, maar iets duisters daarachter. Paulus schrijft in Efeze 6:12 dat 'onze strijd niet tegen vlees en bloed is, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten'. Dat is een heel ander perspectief dan we van nature hebben. Als iemand mij kwetst, veroordeelt of onrecht aandoet, richt iets in mij (mijn 'ik', mijn ego; de Bijbel noemt dit mijn oude natuur, of mijn 'vlees') zich vanzelf op die persoon: hoe durft hij?! Wie denkt 'ie wel niet dat 'ie is?! Ik ga me verdedigen en op mijn rechten staan. En als de ander misschien toch gelijk heeft beroep ik me op mijn goede intenties! Maar de Bijbel leert me iets anders. Nederige, vergevende houding Als ik naar Jezus kijk en het onderwijs van het Nieuwe Testament tot me door laat dringen is er geen twijfel over: ik moet leren (we zeggen liever tegen elkaar 'we mogen leren', maar 'ik moet' vind ik hier toch beter passend) vanuit een nederige, vergevende houding te leven met anderen en vanuit die houding met zowel terechte als onterechte oordelen en beschuldigingen om te gaan. Dat is allebei verrekt moeilijk. Terechte oordelen en beschuldigingen triggeren onze angst en schaamte: wat zal men van me vinden als ik dit toegeef? We herkennen allemaal wel de neiging om weg te duiken, ook omdat we om ons heen zien hoe genadeloos hard de wereld kan zijn. One day you're a diamond, next day you're a stone. Onterechte oordelen en beschuldigingen triggeren ons rechtvaardigheidsgevoel en al onze pijn, afwijzing, het alleen staan en de oneerlijkheid die we ook allemaal hebben ondervonden in dit leven. Het leven is niet 100% eerlijk. Voor niemand. Dat maakt het dan misschien nog een klein beetje eerlijk ... Maar het moeilijkste is misschien wanneer ze door elkaar lopen: terechte beschuldigingen vermengd met totaal onterechte beschuldigingen. Het bekende Horn-effect: omdat je deze fout hebt gemaakt is alles wat je hebt gedaan fout. Dat triggert een storm van tegenstrijdige gevoelens in onze ziel. Dan vechten angst, schaamte, pijn, boosheid, recht en onrecht met elkaar om de eerste plek waardoor we in een helse paradox kunnen belanden: niets van wat we denken of zeggen klopt dan nog volledig. Wat je ook denkt of zegt, het is nooit goed. Wat recht doet aan je boosheid, doet onrecht aan je schuld. Wat recht doet aan je schaamte, klopt niet met wat zo oneerlijk voelt. Dat bij elkaar triggert een diepe wanhoop die uiteindelijk vaak òf tot diepe interne veroordeling of tot vergeldende verbittering leidt. Dan wordt het heel lastig om nog in de nederige, vergevende houding te blijven. Dan red je het niet met alleen de 'theorie' van het evangelie of de 'theologie' van het Nieuwe Testament. Dan red je het alleen door Jezus echt voor je te zien. Met welke innerlijke houding Hij aan het kruis hing in deze paradox. Terecht, want Hij had er zelf voor gekozen. Onterecht, want Hij had niets fout gedaan. Eerlijk, want Hij had het zelf voorspeld en had hier als Zoon van God zelf bewust voor gekozen. Oneerlijk want Hij was nu ook mens, was extreem verdrietig en angstig en begreep blijkbaar ook niet alles toen Hij schreeuwde: 'Mijn God, Mijn God, waarom heeft U mij verlaten??!!!' Als ik Hem zo voor me zie, verlang ik er dan nog steeds naar om op Hem te lijken ... ? Verlang ik er echt naar om de nederigste te zijn? Om de voeten van de ander te wassen? Om niet voor mijn eigen gelijk te gaan, maar voor de houding die de ander ruimte geeft? Hou ik zoveel van Hem dat ik op Hem wil lijken ... ? Echt ... ? Overwinnende autoriteit Tegelijkertijd leert de Bijbel me dat ik ook moet leren een vechtende, overwinnende houding aan te nemen tegen de duisternis: die moet ik krachtig leren weerstaan zodat die op de vlucht slaat. 'Onderwerp u dan aan God; bied weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden.' (Jakobus 4:7). En dat is ook een intern gevecht. Ik moet leren me eerst te onderwerpen aan Gods waarheid; dat is het meest krachtige wapen tegen de duisternis. De duisternis probeert namelijk altijd een aanknopingspunt in mij te vinden: in mijn leugens, in mijn gekwetstheid, in mijn trauma's, in mijn pijn, in mijn hartstochten en onvervulde verlangens, in mijn trots, mijn eer. Ik geef die aan Hem, ik onderwerp me aan Hem. Maar ook: ik schuil bij Hem. Hij begrijpt me. Hij kent me. Hij houdt van me met een ongelofelijke, eindeloze liefde. Als ik daar ben, kan Satan er niet bij. Dan krijgt de duisternis geen 'grip' op me. Als ik doordrenkt ben van Jezus glip ik als een gladde zeep steeds uit zijn klauwen. Vanuit die onderworpen en door de Heilige Geest doordrenkte positie mag (moet?) ik opstaan. Mag ik mijn tanden laten zien. Mag ik grommen. Nooit tegen mensen, maar tegen de duivel. 'Ga weg, ga bij me vandaan, want je triggert me om menselijk te redeneren, maar ik redeneer Goddelijk. Als God voor me is, wie kan dan tegen me zijn? Als ik God aan mij zij heb kan me niks gebeuren. Ik ga voor waarheid, liefde, vergeving, voor het belang van de ander en niet van mezelf! Verdwijn Satan!' Eerlijkheid en liefde Mensen zijn niet het probleem. Het probleem zit in mij. Mensen zijn niet mijn vijand. De duisternis met zijn listen is mijn vijand. En mijn houding, mijn liefde voor Jezus bepaalt of de duisternis een haakje bij me kan vinden. Dat vraagt eerlijkheid met mezelf en God. En ook veel liefde. Liefde leidt altijd tot zachtmoedigheid. Zowel naar mensen als naar jezelf. En liefde geeft me ook de meest krachtige overtuiging en standvastige houding om de duivel te weerstaan. En nooit meer mensen te verwarren met de duisternis. Want liefde is uiteindelijk altijd sterker dan alle andere krachten in het leven. Jezus onderscheidde door zijn goddelijke liefde Petrus van Satan. Toen Petrus Hem probeerde te weerhouden van het kruis, klonken zijn woorden corrigerend, maar misschien ook wel bezorgd en liefdevol. Zoiets als: 'Dat mag niet met U gebeuren, dat verdient U niet!' Maar Jezus herkende de duistere stem er in die een aanknopingspunt bij Hem zocht: een gevoel van onrecht of oneerlijkheid. 'Ga weg achter Mij, Satan, want je bent niet bedacht op de dingen van God, maar op die van de mensen' (Mattheüs 16:23). Hij zei dat niet tegen Petrus, maar tegen degene die door Petrus heen sprak: Satan. Even later zegt hij tegen diezelfde Petrus, omdat hij iets zegt wat juist wél van Gods Geest komt: 'Vlees en bloed hebben je dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader in de hemel' (Mattheüs 16:17). Zo kan een mens, iemand vlak naast je, een geliefde, zonder dat die het doorheeft soms woorden van God en soms woorden van Satan spreken. Maar dat maakt die persoon niet tot vriend of vijand. De persoon mag blijven, maar Satan moet wijken. Ziende op Jezus Aan het kruis liet Jezus ons het meest extreme voorbeeld zien wat het betekent om niet te strijden tegen mensen maar tegen de duistere machten daarachter. 'Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen' (Lukas 23:34). Hij keek verder dan de spottende, brullende gezichten, Hij keek voorbij de handen die met hamers hard op de spijkers sloegen. Hij zag dwars door Zijn eigen diepe pijn hoe deze mensen zelf gevangen zaten. Hij zag hun eigen paradoxen, hun pijn en trauma's die ze hier overschreeuwden met iedere hamerklap op de spijkers die dwars door Zijn handen en voeten werden geslagen. Hij zag mensen die totaal niet beseften wat ze deden, maar gedreven werden door haat, bitterheid en duistere machten. Getraumatiseerde soldaten die al honderden mensen een wrede, gruwelijke dood hadden zien sterven en zelf in doodsangst hadden gezeten. Hij zag hoe de duisternis via deze pijn en via hun trauma's ingang bij hen vond. Hij voelde hoe diezelfde duisternis via Zijn eigen trauma's van marteling en helse pijn ook bij Hem probeerde binnen te dringen met haat en verbittering. De woorden van Satan via Petrus kwamen terug: 'Dit is niet eerlijk. Toon je macht en vernietig ze!' Hij proefde het, maar wilde het niet. Hij streed met deze demonische krachten terwijl hij de mensen die deze duisternis belichaamden met hun martelwerktuigen, vergeving en liefde gaf. Hij schoot zelf geen brandende pijlen af, maar goot verzachtende olie van liefde, vergeving en genade in hun wonden. Het bloed droop als olie langs zijn lichaam, langs het hout op de grond. De duisternis probeert jou en mij ook op alle mogelijke manieren te raken op onze meest kwetsbare plekken. Midden in de wonden die het leven ons heeft gegeven. Satan is gruwelijk wreed en deinst nergens voor terug. Niets is hem te gortig; ook voor je meest intieme en kwetsbare eenzaamheid en strijd heeft hij geen enkel respect. Hij lacht er om en zet zijn klauwen en tanden erin om het verder open te scheuren zodat iets in je gilt van pijn en verbittering. Paulus zegt: 'Doet aan de hele wapenrusting van God, opdat u stand kunt houden tegen de listen van de duivel' (Efeze 6:11). Die strijd is innerlijk. Het is de strijd om je hart: wat je ten diepste gelooft, waar je ten diepste op vertrouwt en waar je ten diepste naar jaagt. 'We breken redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus' (2 Korintiërs 10:5). Het valt niet mee om mezelf, mijn eigen ik-gerichte neigingen en zelfrechtvaardiging te overwinnen. Het begint met de erkenning dat ik dat zelf niet kan. Mezelf aan Hem overgeven en onderwerpen is de eerste overwinning. Een rare 'overwinning' voor mijn ik-gerichte natuur: mijn verlies erkennen en mezelf onderwerpen. Hij is mijn Held, niet ik ben de held. Vanuit deze overgave mag ik overeind komen en met Hem gaan wandelen door het leven. Wandelen ja. Maar op cruciale momenten in mijn leven komt het er op aan en moet ik ook de strijd onder ogen zien en aangaan. Dan moet ik leren naast Hem als de Grote Held ook een dappere held te zijn. Maar nooit om het gevecht met mensen aan te gaan. Nooit. Mensen zijn juist ons doel. Nooit onze vijand. Onze strijd is niet tegen vlees en bloed ... Help mij Heer om op U te lijken en mensen van duistere machten te kunnen onderscheiden. Dat kan ik niet uit mijzelf. Geef me zoveel liefde voor U en voor de mensen om mij heen dat U alleen mijn doel bent. En Uw plan met de mensen om mij heen belangrijker is en blijft dan mijn eigen plan of mijn eigen verlangen. Dat kan ik niet zelf. Ik geef mezelf daarom aan U. Amen. Jonathan sloot een verbond met David, omdat hij hem liefhad als zichzelf. Jonathan trok het bovenkleed uit dat hij droeg en gaf het aan David, ook zijn wapenrusting, ja zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel. (1 Sam. 18:3–4)
Een Bijbeltekst die me al sinds mijn kindertijd steeds weer diep raakt. Een inkijkje in een diepe vriendschap en verbondenheid die eigenlijk niet mocht bestaan. Ze hadden elkaars rivalen moeten zijn: Jonathan als rechtmatige troonopvolger vanuit menselijke logica en David als gezalfde troonopvolger vanuit Gods plan. Er was continu verdeeldheid en spanning over deze relatie in het hof, in de legerleiding en in de familie van Jonathan. Maar, misschien wel mede daardoor, groeide er in de loop der jaren een diepe verbondenheid tussen deze twee. We lezen hier dat Jonathan zijn mantel, zijn wapenrusting en zijn wapens aflegt en aan David geeft. Een diep symbolisch gebaar dat veel verder gaat dan vriendschappelijke sympathie of een cadeau. De mantel drukt iets uit van zijn officiële titel en positie als kroonprins en troonopvolger. Jonathan is bereid deze op te geven. Hij stapt letterlijk uit zijn positie met alle risico's en gevolgen van dien. Zijn wapenrusting staat voor de middelen die hij in handen heeft om zichzelf, zijn leven en zijn positie te beschermen. Ook die is hij bereid op te geven. Hij brengt zichzelf symbolisch in gevaar door zijn wapens uit handen te geven en ze te geven aan iemand die hem daarna kan maken of breken. Dat is een grote daad van vertrouwen. Het zwaard heeft te maken met slagkracht. Een oordeel vellen, een knoop doorhakken, je eigen gelijk of recht bevechten. Jonathan maakt zijn zwaard los van zijn riem en legt het voor David neer. Hij geeft zijn slagkracht en zijn oordeel weg. De boog is een lange-afstandswapen. Het staat voor Jonathan's reputatie; hij was een veelgeprezen boogschutter (1 Sam. 20; 2 Sam. 1:22). Hij is bereid zijn reputatie op te geven voor de goede naam van David. Maar misschien zit er nog meer verborgen in deze boog: het oorspronkelijke woord voor boog wordt in de Bijbel ook gebruikt voor de regenboog. Het symbool van Gods verbond met de mens. Het is alsof Jonathan met deze boog David herinnert aan Gods verbond en Gods roeping voor David. Die acht hij belangrijker dan zijn eigen imago of reputatie. De gordel in de Bijbel doet mij altijd denken aan vrijheid en kracht. Een gordel gaf je vroeger de mogelijkheid om je mantel wat hoger te trekken zodat je benen de ruimte krijgen om te rennen. Dat geeft vrijheid en wendbaarheid. Je mantel los laten hangen zorgt voor meer bedekking en uitstraling, maar maakt je eigenlijk kwetsbaarder. Een soldaat heeft de lendenen omgordt. Als we onszelf omgorden met de waarheid ontstaat er vrijheid. De waarheid maakt vrij. En vrijheid maakt je slagvaardig. Jonathan legt zijn mogelijkheid om zich te omgorden voor David neer. 'Ik stem mijn keuzes, mijn acties en de juiste momenten af op de ontwikkelingen in jouw leven en Gods timing daarin.' Dat is wat het mij leert. Jonathan was de kroonprins, erfgenaam van de troon. Toch kiest hij ervoor zichzelf weg te cijferen en David te eren, omdat hij Gods hand in het leven van David herkent. Daar wil hij bij aansluiten. Niet bij zijn eigen carrière. Deze daad tekent een vriendschap die zichzelf weggeeft. Geen vriendschap die vraagt: “Wat levert dit mij op?”, maar een vriendschap die zegt: “Ik wil jou laten bloeien, ook als dat ten koste gaat van mij.” Jonathan kiest niet voor jaloezie, recht of rivaliteit, maar voor trouw, wachten en zelfovergave. Ruimte maken voor de ander. Johannes de Doper maakte ruimte voor Jezus. Jezus maakte ruimte voor de Heilige Geest. De Heilige Geest maakt ruimte voor Jezus. Beiden maken ruimte voor God de Vader. De Vader maakt ruimte voor zijn Zoon ... Ruimte maken zit in het wezen van God zelf. Het is misschien wel wat God zo extreem onderscheidt van Satan. Satan wilde ruimte voor zichzelf. God maakt ruimte voor de Ander. Het is de grondhouding die we door de hele Bijbel heen lezen, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Jezus zegt: “Niemand heeft grotere liefde dan dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Joh. 15:13). Wat Jonathan bij David deed, vindt zijn vervulling in Christus: Hij legde zijn heerlijkheid af en gaf zichzelf geheel voor ons. Echte vriendschap weerspiegelt die liefde. Het vraagt moed om je eigen rechten, macht en invloed los te laten, om de ander ruimte te geven, om naast iemand te staan in ontwapende kwetsbaarheid en trouw. Zulke vriendschap is kostbaar, zeldzaam en per definitie levensveranderend. Het grootste geheim is misschien het zien van Gods hand in het leven van de ander en het diepe verlangen om daar bij aan te sluiten. Jonathan had David lief als zichzelf. Maar meer nog dan dat: hij zag wat God aan het doen was door middel van David. Hij was bereid zijn plek daarvoor op te geven. Voor wie in mijn leven wil ik mezelf wegcijferen om hem of haar tot zegen te zijn? Wat mag dat mij kosten? Hoe ver mag God gaan in het verhogen van de ander en het vernederen van mij? Ben ik bereid Gods hand te zien in het leven van mijn naaste en God ruimte te geven voor Zijn werk en Zijn plan? Ben ik bereid mijn imago of vertrouwde leven op te geven voor een ander? Is mijn liefde voor Hem nog groter dan mijn liefde voor mijn vriend of vriendin? Wat is mijn diepste verlangen? Vertrouw ik Hem werkelijk in alles? Ben ik er klaar voor oneerlijkheid of onrecht te verdragen? Om mijn imago te verliezen? Ben ik bereid de minste te zijn? Een boodschap uit mijn hart naar aanleiding van de moord op Charlie Kirk. [In bewerking. Laatste update: 15-09-2025 22.26] Het lijkt alsof er deze week na de afschuwelijke moord op Charlie Kirk ineens maar twee soorten mensen meer bestaan: vechters voor de de waarheid en vechters voor harmonie. Iedereen die mij een beetje kent weet dat dit soort polarisatie mij diep raakt. Het raakt mij omdat polarisatie het tegenovergestelde is van wie God zelf is als een Eenheid in Verscheidenheid. We kunnen niet minder op God lijken, niet minder zijn beelddragers zijn, dan wanneer we lijnrecht tegenover elkaar komen te staan en elkaar veroordelen. Daarom moet ik er even iets over schrijven. Het helpt me als ik het een beetje kan verwoorden. En het is een belangrijk deel van mijn schrijfmissie: verzoening tussen mensen die door polarisatie uit elkaar gedreven zijn.
Voor 'waarheids-predikers' en 'vechters voor orde' is genade en empathie soms griezelig ruim en verdacht grenzeloos. Empathie of eenzijdige nadruk op genade is voor hen sjoemelen met de waarheid, water bij de wijn. Zij zien het als pleasegedrag waarmee kromme zaken recht gepraat worden 'onder het mom van genade'. Voor 'genade-predikers' en 'harmonie-zoekers' is juist de waarheid soms griezelig hard, koud en bot. Waarheidspredikers zijn voor hen al snel 'haatzaaiers' omdat ze bijzonder pijnlijke dingen zeggen zonder rekening te houden met de gevoelens, beperkingen of goede intenties van mensen. Het klinkt voor hen als liefdeloze woorden zonder enig inlevingsvermogen 'onder de vlag van de waarheid'. Er is slechts één Mens die beide kon en kan verenigen: Jezus Christus. Hij is 'vol van Genade én Waarheid' zegt de apostel Johannes (Joh. 1:14). Inderdaad: vol! De rest van de mensheid kan hoogstens een accent leggen: de één iets meer op waarheid, de ander iets meer op genade. Maar we zijn er zeker niet vol van. Niemand heeft de volle waarheid in pacht en niemand is zo overvloedig genadig als God. Althans: ik ben er nog niet één tegenkomen. Ondanks (of dankzij) deze grote verschillen zullen we met elkaar in dit leven de lastige levenspuzzel moeten leggen. Ik ben zelf duidelijk meer een harmonie-zoeker. De man van begrip en empathie. Iedereen die mij een beetje of zelfs goed kent zal dat vast beamen. Wat ik soms nodig heb zijn mensen die de harde waarheid spreken. Misschien kan ik er moeilijk mee samenwerken. Misschien zouden ze niet mijn mentor, therapeut, beste vriend of businesspartner kunnen zijn. En dat hoeft ook niet. Maar ik voed me wel met de input van mensen die juist minder empathisch zijn, durven zeggen waar het op staat en mij op de gevaren van mijn empathie durven wijzen. Want empathie zonder waarheid of grenzen kan wel degelijk ook gevaarlijk zijn. Net als waarheid zonder genade. In de kerk komen de 'herder' en de 'leraar' daarom soms tegenover elkaar te staan. De 'herder' (de dienaar met het pastorale hart) wringt zich in allerlei bochten om dat ene schaap te redden. Desnoods met gevaar voor eigen leven. Voor de herder zijn liefde, genade en ontferming sleutelwoorden. De 'leraar' (de uitlegger van de principes van Gods koninkrijk) wijdt zich er aan toe om het Woord van God recht te snijden. Desnoods met het gevaar mensen tegen zich in het harnas te jagen. Voor de leraar zijn recht, gerechtigheid, zuiverheid en principes sleutelwoorden. Beiden zullen zichzelf als 'trouw' zien. De herder trouw aan zijn roeping, liefde en overgave voor de schapen. De leraar trouw aan het Woord van God. We beseffen allemaal wel dat genade niet zonder waarheid kan, en dat waarheid niet zonder genade kan. Dat is niet zo heel moeilijk te begrijpen. Genade bestaat überhaupt bij de gratie van waarheid (waarvoor zou anders 'genade' geschonken moeten worden?) en waarheid zonder genade zou sowieso geen mens overleven. Een 'basisprincipe' van het christelijk geloof dat we allemaal wel kennen. Maar in de omgang met elkaar blijkt dit heel lastig te zijn omdat niemand van ons in staat is beide in volmaakte balans te houden. We neigen allemaal naar een bepaalde kant op deze dimensie. Daar komt onze persoonlijkheid, ons karakter, onze eigen aard in beeld. Het heeft nogal wat implicaties aan welke kant van deze dimensie je staat. Het stelt je tot iets in staat, maar het zorgt er ook voor dat je tot sommige dingen niet in staat bent. Ben je écht empathisch en ook nog emotioneel intelligent, dan kun je per definitie niemand hard veroordelen, laat staan haten. Want je begrijpt en doorziet hoe mensen tot bepaalde uitspraken of daden komen. Voor jou is niet alles zwart-wit, maar er bestaat ook grijs. Er zit overal een verhaal achter. Te veel rationele kaders of theologische modellen zouden je begrip voor de ander ondermijnen. Je zult misschien eerder 'herderlijke' dan 'lerende' taken krijgen in de kerk. Ben je écht geroepen om de waarheid te vertellen, dan kun je je per definitie nooit helemaal verplaatsen in de ander. Waarom niet? Omdat je als waarheidsprediker ten diepste in één waarheid gelooft en het zou de kracht van je boodschap weghalen als je die te veel gaat nuanceren door empathie of begrip voor ieders verhaal. Een principe is zwart of wit. Grijs is voor jou een vermenging van leugen en waarheid. Empathie zou je van het rechte spoor afhouden. Pastorale taken lijken daarom misschien minder bij je te passen. Voor alle waarheids-liefhebbers: wees alsjeblieft dankbaar voor de mensen die genuanceerd zijn. En verder kunnen waar jouw logica ophoudt. Zonder hen zou Gods genade in deze wereld geen handen en voeten meer kunnen krijgen. Veroordeel niet alle empathische personen tot leugenaars, dwaalleraars of emotionele manipulators. Voor alle harmonie-liefhebbers: wees alsjeblieft dankbaar voor de mensen die ongenuanceerd de waarheid durven zeggen. Zonder hen zouden we alles maar begrijpen en goedkeuren of minstens toelaten. Ook ongezonde zaken. We zouden ons morele kompas en onze scherpte daardoor kunnen verliezen. Veroordeel niet alle waarheids-zoekers tot kille, gevoelloze narcisten. Weiger om de ander te haten! Weiger ook om de ander zomaar als een haatzaaier te zien! Weiger het oordeel dat de ander een kwaadaardige geest is. Of dat de oorzaak van de moord op Charlie Kirk bij één bepaalde groep ligt. Dat is het meest trieste of domme wat we kunnen doen. Zie de liefde voor harmonie of juist de liefde voor de waarheid in de ander. Wees daar blij mee. Heb er respect voor. Vergeef waar de ander uit de bocht is gevlogen. Een bocht waar jij zelf misschien niet uit zou vliegen. Laat integendeel de drive van die ander je inspireren om het beste van de eerlijke waarheid of het beste van genade in dit leven binnen te brengen. Laat je daarin leiden door de enige zuivere, goede Geest: de Heilige Geest. Dankjewel Charlie voor je liefde voor en toewijding aan de waarheid. En de radicale overtuiging waarmee je over Jezus sprak als de Enige Weg tot de Vader. Je hebt me de afgelopen jaren aangescherpt en nieuwe inzichten gegeven. We zullen je missen. Ik bid dat je vrouw en kinderen omgeven mogen worden door mensen die troost, liefde, zorg en medelijden kunnen geven. - Matthijs Goedegebuure Mozes, David en de spanningsboog[In bewerking. Versie 02-04-2026 12.13] De meesten die mij kennen weten dat ik probeer te leven, werken en denken vanuit de genade van God. Het is het enige vertrekpunt van mijn bestaan: de onuitputtelijke bron van liefde, vergeving, van opnieuw beginnen, herstellen en verder leven. Onuitputtelijk ja. Je kunt volgens mij niet niet te groot denken over Gods genade. Het is altijd groter en meer dan je je kunt voorstellen. We hoeven daar niet aan te twijfelen omdat de Bijbel er glashelder over is. De genade van God is altijd weer overvloediger dan de zonde van de mens. Hoe meer de zonde toeneemt, hoe overvloediger, groter, ruimer en allesomvattender de genade van God wordt. Het is bijna griezelig en brengt Paulus, schrijvend over deze oneindige genade, tot de vraag: 'Wat moeten we hiermee? Zullen we dan maar blijven zondigen zodat die genade nog groter gaat worden?' Een bizarre gedachte, maar wel logisch voortvloeiend uit het echte vaste gegeven dat genade toeneemt als er meer gezondigd wordt. Tegelijkertijd natuurlijk een retorische vraag want als we oprecht van God houden zullen we alles inzetten om te breken met zonde.
Je kunt door alleen over genade te denken of schrijven iets anders wel vergeten: de heiligheid van God. Ontzag voor Gods genade gaat hand in hand met ontzag voor Gods heiligheid. Zonder Zijn heiligheid zouden we überhaupt geen genade nodig hebben. Als God niet heilig was, en dus zelf ook een duistere kant had of gezondigd had, was Hij net als ons en zou er geen dodelijke kortsluiting ontstaan als we met Hem in contact zouden komen. Er was dan geen 'Middelaar tussen God en mensen' nodig geweest. Maar ook geen verlossing van de zonde en de gevolgen van zonde. We hebben genade nodig omdat Hij heilig is. Maar zonder zijn heiligheid zou genade ook niet kunnen ontstaan. De liefdeskracht om de gevolgen van zoveel onrecht, vuiligheid, kwaadaardigheid en dubbelheid op je te nemen en zelfs jezelf als de oorzaak er van te maken, kan alleen ontstaan bij Iemand die helemaal 'zuiver', helemaal 'schoon', helemaal 'vol goedheid' is. Iemand waar geen enkel spoortje van slechtheid, kwaadaardigheid, oneerlijkheid in aanwezig is. Wat een ongelofelijk 'schoon' hart moet je dan hebben. Eindeloze genade kan alleen ontstaan uit het hart van Iemand met een volmaakte zuiverheid, schoonheid, pure liefde, pure goedheid tot in het diepste van Zijn hele Wezen. Dat is heiligheid. Genade ontstond doordat Hij heilig is. Er zijn plaatsen in de Bijbel die mij stilzetten bij de heiligheid van God. En bij de kortsluiting die er dan ontstaat met zondige mensen. Mozes, de man die Israël uit Egypte leidde, mocht het Beloofde Land niet binnengaan omdat hij ongehoorzaam was geweest bij de rots van Meriba (Numeri 20). David, de man naar Gods hart, kreeg te horen dat hij de tempel niet mocht bouwen, omdat zijn handen te veel bloed hadden vergoten (1 Kronieken 28). Het zijn scherpe grenzen die mij doen beseffen dat God heilig is en dat zelfs de grootste leiders en vrienden van de Allerhoogste niet boven Zijn geboden verheven zijn. Maar de Bijbel vertelt verder. Zo'n 1500 jaar na zijn dood verschijnt Mozes wél in het Beloofde Land, op de berg van de verheerlijking (Mattheüs 17). Op één van de meest unieke momenten in de geschiedenis; een 'VIP-plaats' bij de uitvoering van Gods plannen zou je met eerbied zeggen. Daar staat hij, naast Elia, in gesprek met Jezus over diens lijden en verheerlijking. Ze praten als vrienden, 'van aangezicht tot aangezicht'; nota bene een persoonlijke en ooit onuitvoerbare wens van Mozes. Maar God gaf hem waar hij boven op de berg Horeb naar had gevraagd. En David, hoewel uitgesloten van de fysieke bouw van de tempel, heeft een geestelijke erfenis achtergelaten die niet te meten is: zijn psalmen worden tot op de dag van vandaag gebeden, gezongen en gehuild door gelovigen over de hele wereld. En de Heilige Geest gebruikt Davids woorden (zelfs vandaag!) op de meest cruciale momenten in mensenlevens. Nota bene een persoonlijke vurige wens van David in zijn diepste berouw: neem Uw Heilige Geest niet van mij weg. Wat betekent dit? Valt het dan uiteindelijk toch nog mee met Gods heiligheid? Of zitten er toch grenzen aan de genade van God? Het laat iets zien van een diep spanningsveld: God is volkomen heilig en volkomen rechtvaardig, maar ook volkomen barmhartig en vol van goedertierenheid. Hij sluit deuren die niemand kan openen, maar opent ook deuren die niemand kan sluiten. Hij straft, maar laat tegelijk Zijn belofte en genade overvloedig blijken. Mozes sterft aan de grens. Vlakbij het land waar hij 40 jaar op weg naar toe was door de woestijn. Een harde, ongenadige reactie zou je zeggen. Maar God zelf begraaft hem en eert hem door hem vanuit de eeuwigheid vrijwel direct aan Jezus’ zijde te plaatsen. Ik zeg 'vrijwel direct' omdat ik geloof dat Mozes toen hij stierf in de eeuwige tijdloosheid kwam waar 1000 jaar is als één dag, en één dag als 1000 jaar. Hij was eerder in het beloofde land dan het volk. En op een mooiere plek en een unieker moment dan wie dan ook. David mag de letterlijke tempel niet bouwen, maar wordt al schrijvend, musicerend en zingend de stem van overgave, vertrouwen en aanbidding die door de eeuwen heen de geestelijke tempel van Gods volk vorm geeft. Wie heeft er zo aan de geestelijke tempel mogen meebouwen als David ... ? De fysieke tempel werd later compleet verwoest. De geestelijke tempel wordt nog steeds gebouwd, mede door zijn psalmen en zijn onwankelbare geloof. Het lijkt alsof God daarmee wil zeggen: met Mijn heiligheid valt niet te spotten, maar mijn genade schrijft het laatste woord. Zonden hebben consequenties, maar ze hebben niet het laatste woord over jouw leven. God laat de gebroken en zondige menselijkheid van Zijn dienaren niet de grens zijn van Zijn trouw. Dit opent een venster van hoop. Want als Mozes en David, met hun zonde en schuld, toch zo’n bijzondere plek in Gods geschiedenis en in Zijn toekomstplannen mogen innemen, hoeveel te meer mag er verwachting zijn voor ons, die leven onder het verbond dat Jezus Christus met Zijn bloed heeft verzegeld. De God die heilig is, is ook de God die belooft een beloner te zijn van wie Hem zoeken (Hebreeën 11:6). Zo mogen (of moeten) we leren om Gods heiligheid niet licht te nemen, maar tegelijk te vertrouwen op Zijn goedertierenheid. Wat er ook gebeurt, en hoe Hij ook straft, Hij is goed. Het verhaal van Mozes en David zegt mij dat mijn fouten en mislukkingen niet het laatste woord hebben. God schrijft verder en geeft oneindig veel meer dan we verdienen en vervult zijn beloften veel mooier dan we ooit zouden durven vragen of verlangen. Hij bouwt Zijn tempel, Hij schenkt alles wat Hij heeft, Hij voltooit Zijn plannen en Hij kiest ons uit om daarin met Hem samen te werken en samen te leven. Ondanks ons tekort. Hij maakt het goed. Al is het nu moeilijk voor je en hebben dingen gevolgen; het komt goed. Want Hij is goed. Dat wil ik jou, en ook mezelf, graag meegeven. Hoop op Hem. Hij was er en Hij zal er zijn. Hij maakt het goed. Beter dan je ooit durfde te dromen. Echt waar. Niet omdat ik het zeg. Maar omdat Hij het zegt. Liner notes van Johnny Cash bij live album 'Johnny Cash at Folsom Prison' uit 1968 Vertaling: Matthijs Goedegebuure Duizend jaar beschaving klettert aan diggelen met het dichtslaan van de celdeur achter je. Het leven buiten de cel, dat je net achter je hebt gelaten, is met één klap onwerkelijk geworden. Vanaf nu ga je je er steeds minder mee bezighouden dat het überhaupt bestaat. Alles wat je nog hebt in deze cel zijn je kale, dierlijke instincten.
Ik spreek deels uit ervaring. Ik heb achter de tralies gezeten. Soms vrijwillig, maar ook tegen wil en dank. Maar steeds opnieuw was er datzelfde diepe gevoel van verbondenheid met mijn medegevangenen. Achter de tralies, buitengesloten van de maatschappij, word je heropgevoed, gecorrigeerd, geherprogrammeerd, herschoold in het leven zelf, zonder dat je deel uitmaakt van dat leven. Je bent het object geworden van een strak systeem van isolatie, straf, africhting, bijscholing en berisping. Alles bedoeld om jou berouw bij te brengen over je fouten. Om je nog eens goed duidelijk te maken wat je wel en niet hoort te doen daarbuiten, zodat je, als je ooit vrijkomt, als een 'gezuiverd' mens kunt terugkeren naar een wereld die geacht wordt jou te verwelkomen en te vergeven. Kan dat werken??? ‘Natuurlijk niet’, zeg je. ‘Hoe zou zo'n marteling iemand ooit ten goede kunnen komen … ?’ Maar goed: waarom sluiten ze je anders op? Je zit op je koude, stalen, harde bed en je kijkt hoe een kakkerlak onder het smerige toilet vandaan kruipt. Je doodt hem niet. Je voelt je jaloers worden als hij onder de celdeur door kruipt. Weg. In de celgang hoor je een stalen deur opengaan, en dan met een dreun weer dichtslaan. Zoals iedere man die dit hoort, denk je steeds in een reflex: iemand komt me hier misschien weghalen. Maar je weet dat dat een illusie is. Je telt de stalen spijlen van de deur zo vaak dat je jezelf erom begint te haten. Je grootste wapenfeit van de dag is een wiskundige conclusie. Daar ben je zeker van, van niets anders: er zijn negen verticale en zestien horizontale spijlen in je deur. Verderop in de gang is er weer een deur die opent en sluit. Een cipier loopt voorbij zonder je zelfs maar aan te kijken. Hij verdwijnt weer achter een andere deur. ‘Die klootzak … ’ Je zou willen zeggen dat je ergens op wacht, maar er gebeurt nooit iets. Er is niets om naar uit te kijken. Niets. Je sluit vriendschap in de gevangenis. Je wordt lid van een clubje dat geen enkel doel dient. Niemand is rijker of armer dan de ander. Rijkdom wordt hier afgemeten aan de hoeveelheid peuken die je hebt. Jullie zijn allemaal hetzelfde kwijtgeraakt. Alles wat een man een man maakt. Een vrouw, geld, een gezin, een baan, de open weg, de stad, het land, ambitie, macht, succes, falen. En nog een miljoen dingen. Rondom jouw cellenblok staat een muur. En om die muur nog een muur. Zeven meter hoog, en drie meter diep in de grond verzonken in beton. Je weet dat je hier bent om te blijven, en om een of andere reden wil je in leven blijven - en niet wegrotten. Dus, zoals ik al vier keer eerder heb gedaan in Californië, bracht ik mijn muziek weer naar Folsom. Gevangenen vormen het mooiste publiek dat een artiest zich kan wensen. Wij brengen ze een straaltje zonlicht in hun donkere kerker, en ze schamen zich niet om te reageren, om hun dankbaarheid te uiten. Na zes jaar praten vond ik eindelijk de man die naar me wilde luisteren bij Columbia Records. Bob Johnston geloofde me toen ik zei dat een gevangenis de enige juiste plek zou zijn om een livealbum op te nemen. Hier is het bewijs. Als je goed luistert naar dit album hoor je op de achtergrond het dichtslaan van deuren, het loeien van de fluit, het geschreeuw van mannen … zelfs het gelach van mannen die vergeten waren hoe dat moest. Maar je voelt vooral de geladen sfeer; je hoort de ene puls van tweeduizend hartslagen, van mannen bij wie het hart eruit is gescheurd. Samen met hun verstand, hun zenuwen, en hun ziel. Hoor het geluid van de mannen, de veroordeelden, allemaal broeders van mij. Samen maken we de Folsom Prison Blues. - Johnny Cash Hoe overleef je een onmenselijk lange wachtstand? <Concept. Laatst bijgewerkt: 25-07, 15.45.>Sommigen onder ons zitten midden in een orkaan die niemand ziet. Misschien jij wel. Of een goede vriend van je. Er wordt niet geschreeuwd, er is geen zichtbare brand, maar er blijft juist iets helemaal stil. Onheilspellend stil. Ieder uur weer een uur langer. Geen nieuws. Geen teken van leven. Geen duidelijkheid. Geen antwoord. Stilte. Alleen maar stilte. Terwijl de klokt tikt. Uren. Dagen. Weken. Maanden. Jaren soms. Dat soort stilte is een kwelling voor je ziel. Een constante pijn in je hart. Denk aan mensen die maanden of jarenlang wachten op een bericht van een geliefde. Aan de partner van iemand met een ernstige psychische of lichamelijke handicap, waardoor er op een bepaald gebied een pijnlijk gemis en een stilzwijgende, blijvende afstand is ontstaan. Aan de vader of moeder van een kind dat vermist is. Aan de oma wiens kleinzoon al een jaar lang gegijzeld is. Aan de man wiens vrouw al maanden in coma ligt. Aan de zus wiens tweelingbroer met de noorderzon vertrokken is. Aan de gijzelaar die al maanden niet weet of hij over een uur nog leeft. En hoe het ondertussen met zijn familie gaat. Aan de moeder wiens tienerdochter boos weggelopen is van huis en al maanden onbereikbaar is. Aan de moeder wiens kind uit huis geplaatst is en die een contactverbod heeft gekregen. Maar er zijn nog veel meer mensen die lijden onder stilte, eindeloos wachten of een onoverbrugbare afstand. Als je daar iets van herkent, dan begrijp je wat ik bedoel: stilte is geen rust meer. En rust is geen stilte meer. De breuk heeft je gebroken en stilte is nu iets geworden dat je steeds verder breekt. Je herbeleeft de pijn en het verdriet van het laatste contact of het noodlottige bericht duizenden keren. Afleiding houdt je op de been. Even rusten is er niet meer bij, want rust confronteert je met die kwellende stilte die direct tot wanhoop, onrust en interne paniek leidt. Je hart bonkt door je lijf als je even ‘rustig’ gaat liggen. De doemscenario's over het lot van de ander gieren door je hoofd als je vijf minuten geen afleiding hebt. Wandelen door de natuur was ooit fijn en ontspannend, maar is nu een kwelling vanwege de emotionele pijn, het gemis, de bezorgdheid of het angstig dreigende gevoel dat het geeft. Je liefde en zorg voor de ander zoekt wanhopig iets om te doen, te zorgen, te helpen. Maar er is niets te doen dan de kwelling van de stilte zien te overleven. En maar blijven hopen op een teken van leven. Op een goed bericht. En niemand om je heen ziet het want je houdt je sterk. Dat is heel vervreemdend. Lonesome to the bone. Hoe stilte of rust een trigger kon worden Ons verstand wil dingen begrijpen, verklaren. Ons hart zoekt iets om te geloven. Onze geest zoekt een richting, een vuurtoren in de verte, iets van hoop. Maar als er geen informatie komt, geen antwoord, geen richting, dan gaat je geest 'tollen'. Als een kompas dat het magnetische noorden niet meer kan vinden. Het blijft draaien, zoeken. Het blijft scannen. Wat gaat er gebeuren? Hoe loopt dit af? Waarom niet ... ? Waar is … ? Hoe is het nu met ... ? Leeft hij nog? Leeft zij nog? En ondertussen ben je zelf nog steeds op de plek waar je was toen de klap kwam. Continu wakend. Ieder uur biddend. Wachtend. Wanhopig hopend. Scrollend op je mobiel naar een aanwijzing, een teken van leven of een lichtpuntje. Je mentale weerstand gaat steeds verder achteruit. 'De breuk heeft iets in me gebroken. Stilte en rust zijn voor mij vanaf dat moment triggers van angst, schuld, zorg, gemis en paniek geworden.' Dit soort stilte heeft niets meer met rust te maken. Het is een angstig wachten dat je emotioneel volkomen uitput. Stilte zelf is traumatisch geworden. Waardoor elk moment in de dag van letterlijke stilte, een pauze, een wandelingetje of een powernap waar je vroeger van opknapte, nu juist een trigger is voor de (her)beleving van dit trauma. Je herbeleeft in elk stukje rust steeds het moment waarop het onheil onverwacht als een raket insloeg. En daarna werd het akelig stil. En het bleef stil. Je leven is vanaf dat moment niet meer hetzelfde. Hoe blijf je dan heel? Dat is een heel lastige vraag waar geen eenduidig antwoord op te geven is. In ieder geval niet door de impact die het verlies, de breuk of de stilte op je heeft weg te 'relativeren'. En ook niet door je laten te verdrinken in de hoge golven van wanhoop. Misschien door te proberen zachtjes, stap voor stap, een beetje bedding te maken of houden voor jezelf. Hieronder deel ik wat mij en anderen soms helpt in die stille, onzichtbare crises. 1. Geef de akelige stilte een passende naam Zeg eerlijk tegen jezelf: “Stilte is voor mij geen stilte meer. Stilte is geen rust meer. Stilte is een akelige, kwellende trigger van paniek geworden en zo zal ik er vanaf nu mee om moeten gaan.” Erkennen dat iets een kwelling of een trigger is, helpt je zenuwstelsel meer dan je denkt. Je hoeft het niet af te zwakken of minder erg te maken. De kwelling mag (of moet misschien wel) een naam krijgen. Het 'moet mogen bestaan'. Je leest niet veel over stilte of rust als 'trigger'; overal lees je juist over het belang van stilte en hoe helpend stilte zou moeten zijn. Maar er zijn inmiddels, zowel door ervaring als ook wetenschappelijk gezien, voldoende aanwijzingen dat stilte juist ook een trigger van pijn, paniek en herbelevingen kan zijn. Bij deze de erkenning dat je niet gek bent als stilte niet helpend, maar juist ondraaglijk is geworden. Je bent niet de enige die hier alleen mee is … 2. Focus je een paar keer per dag heel bewust Je kunt niet 24 uur per dag in de half bewuste, angstige of passieve wachtstand staan. Dat zuigt je leeg. Wat misschien helpt: kies twee vaste momenten op de dag waarop je juist heel bewust 'actief' stilstaat of afdaalt in het wachten, in de pijn. Je doet er dan zelf bewust iets mee in plaats van dat het alleen maar iets met jou doet. Bijvoorbeeld: elke ochtend om 10.00 uur en elke avond om 20.30 uur maak je tijd. Steek misschien een kaarsje aan. Of werk dan aan een schilderij, een tekst, een artikel (zoals dit), een lied of een brief. Het klinkt zo cliché, maar helpt soms meer dan je zou denken. Bid op vaste tijden heel gericht voor hem, haar of hen; laat je daarbij leiden door wat je die ander nu toewenst. Denk juist bewust aan degene op wie je al zo lang in spanning wacht. Zodat je geest het daarna misschien weer een poosje los kan laten. Je kunt niet iets loslaten voor je het eerst heel bewust beetpakt. En je kunt niet zomaar iets loslaten dat niet goed afgesloten is. 3. Geef uitdrukking aan je dankbaarheid en je liefde Als je iemand mist maar niets hoort doet dat pijn in je ziel. Dat vreet aan je. Het triggert in je brein dezelfde gebieden die ook actief worden bij fysieke pijn. Schrijf een brief. Zeg vanuit je hart wat je zou willen zeggen. Waar je diegene dankbaar voor bent. Of misschien wel waar je spijt van hebt. Of schrijf over je pijn. Fluister het. Of zing het. Of teken het. Niet om er perse controle over te krijgen, maar om te kunnen bestaan met wat je voelt, herinnert, weet, koestert en gelooft. Ook al sta je daar volkomen alleen in. Juist dan is dit zo belangrijk. 'Je bent niet de enige die hier alleen mee is ... ' 4. Zoek helpend geluid in plaats van kwellende stilte
Als stilte je overspoelt met onrust, vul haar dan soms met iets zachts. Met rustige muziek als dat helpt. Met een gesproken tekst. De stem van de Bijbel-app. Een psalm. Een stem die je aandacht even naar iets anders 'draagt'. Of je helpt uit te zoomen op het leven. Soms helpt het om elke dag naar hetzelfde lied, dezelfde componist, dezelfde zangeres te luisteren, of een podcast van dezelfde persoon. Het is een soort anker. Een beetje herkenbare houvast in de chaos. 5. Ga staan op wat je gelooft Naast het zachte voor je kwetsbare kant, heb je ook steeds opnieuw de kracht van je diepste overtuigingen nodig voor je sterke kant. Wat geloof je nog steeds? Waar ben je ondanks alles nog steeds van overtuigd? Waar brult de sterke leeuw in jezelf? Wat zegt die? Waar ben je misschien verontwaardigd of boos over? Geef ook je overtuiging een stem. Misschien wel als je alleen in de auto zit en je met een soort ‘autoriteit’ iets kan zingen, bidden, roepen of zeggen waar je ondanks alles nog steeds van overtuigd bent. Of schrijf zelf een inspirerend Facebook bericht over wat je ook nu gelooft. Daar zit kracht in! Pak een stok en sla hem kapot op de grond. Voel de kracht die je gegeven is! Je gelooft nog ergens in, ondanks alles! 6. Je mag afleiding zoeken en de ander even 'vergeten' Je hoeft niet constant je mail, social media of het nieuws in de gaten te houden, al zul je geneigd zijn dat steeds te doen. Je hoeft niet elke minuut aan die ander te denken. Je mag ook gewoon even thee drinken met een YouTube filmpje om de stiltetriggers te voorkomen. Of buiten lopen terwijl je iemand even belt voor een praatje of afleiding. Of lachen om een mop of een komiek. Of een spelletje doen. Dat maakt je niet ontrouw. Het is geen 'verraad'. Dat maakt je mens. Tot slot Je hebt niet gekozen voor de situatie waarin je zit. En ook niet voor hoe je binnenwereld nu reageert op stilte. Maar je kunt wél kiezen hoe je je eigen binnenwereld vormgeeft. Durf dat op jouw manier. Niet om alles te fixen. Maar om overeind te blijven, juist nu. "Ik weet niet hoe dit afloopt. Maar ik blijf vanuit liefde reageren. Ik wil een gevend mens blijven. Aan de ander. Aan mezelf. Aan het leven. Aan Hem die mij eerst liefhad." Misschien is dat genoeg voor vandaag. 1. Achtergrond: PTSS en traumagekoppelde triggers
Posttraumatische stressstoornis (PTSS) ontstaat na een ingrijpende gebeurtenis waarin iemand intense angst, hulpeloosheid of afschuw ervaart. Bekende triggers zijn beelden, geuren, geluiden of situaties die aan het trauma herinneren. Maar: niet elke trigger is ‘hard’. Soms zijn het juist afwezigheden – zoals stilte, leegte, alleen-zijn – die het zenuwstelsel activeren. Dat is minder zichtbaar, maar minstens zo ontwrichtend. 2. Wat is een trigger eigenlijk – en hoe werkt het? Een trigger is een prikkel (intern of extern) die het brein associeert met dreiging. Bij PTSS is het geheugen zó overgevoelig geworden voor gevaar, dat ook onschuldige signalen (zoals stilte) een alarmsignaal kunnen worden. De amygdala speelt hierin een centrale rol: het scant voortdurend op gevaar. Bij PTSS is deze amygdala hyperactief, terwijl de prefrontale cortex – die normaal nuance aanbrengt – minder goed remt. 3. Waarom kan stilte een trigger zijn? Stilte is op zichzelf geen dreiging, maar in bepaalde contexten symboliseert het iets voor iemand met trauma. Meerdere mechanismen kunnen een rol spelen: A. Conditionering: “De stilte vóór de klap” Veel mensen met trauma herinneren zich dat voordat het misging, er een moment van doodse stilte was. Of juist nadat het trauma plaatsvond. Denk aan:
Het brein koppelt die stilte aan dreiging. Dus zelfs jaren later kan een vergelijkbare stilte dezelfde alarmreactie opwekken. B. Onvoorspelbaarheid en controleverlies Stilte = gebrek aan informatie. Mensen met PTSS hebben vaak een intense behoefte aan controle, omdat hun ervaring er één was van machteloosheid. In stilte is er geen input, dus ook geen mogelijkheid om gevaar te voorspellen. Dit versterkt het gevoel van onveiligheid. C. Hyperarousal + introspectie = explosief Bij PTSS is het autonome zenuwstelsel overactief. In stilte is er minder afleiding van binnenwereld (gedachten, beelden, gevoelens). De persoon ‘valt naar binnen’ en kan overspoeld raken door flashbacks, angst, dissociatie of ruminatie. De stilte fungeert dan als een versterker van de interne storm. D. Ambigue verlies en onvoltooid rouwproces Bij mensen die iemand missen zonder duidelijkheid (zoals bij vermissing of langdurig geen contact) wordt stilte een symbool van het niet-weten, van onmacht. Boss (1999) noemt dit “ambiguous loss” – een verlies zonder slot, zonder ritueel. De stilte bevestigt de open wond, en triggert telkens opnieuw het brein om “het gat te dichten”. 4. Empirische bevindingen: wat zegt de wetenschap? Er is geen overvloed aan studies die expliciet “stilte” als trigger onderzoeken, maar verschillende onderzoeksvelden bevestigen de plausibiliteit: a. Neurobiologie van trauma Studies (Rauch et al., 2006; van der Kolk, 2014) laten zien dat traumatische herinneringen niet alleen expliciet, maar ook impliciet en zintuiglijk zijn opgeslagen. Dus zelfs niet-zichtbare of niet-woordenrijke stimuli (zoals sfeer of geluid) kunnen triggers zijn. Sensorimotor Psychotherapy (Ogden & Fisher, 2015) werkt expliciet met het idee dat omgevingssignalen onbewust trauma kunnen reactiveren. b. Ambigue verlies en chronische onzekerheid Pauline Boss (1999, 2006) beschrijft hoe het ontbreken van informatie (stilte, wachten) psychisch slopend is en PTSS-symptomen kan veroorzaken of verergeren. Onderzoek naar familieleden van vermisten (Kristensen et al., 2012) toont verhoogde PTSS-scores, met stilte en onzekerheid als directe stressoren. c. Stilte in therapeutische contexten Ironisch genoeg kan ook stilte in therapie onveilig aanvoelen voor mensen met PTSS (Ladany et al., 2004). Stiltes die voor sommigen rustgevend zijn, kunnen voor getraumatiseerde cliënten voelen als afwijzing, verlating of verlies van controle. Sommige therapievormen (bijv. ACT of mindfulness) passen hier hun interventies op aan, door stilte voorzichtig op te bouwen of te vervangen door geleide aandachtsoefeningen. 5. Wat betekent dit voor begeleiding en therapie? Stilte is niet neutraal. Vraag expliciet na of stilte voor de cliënt prettig is. Als stilte een trigger is, werk dan met ritme, klank, voorspelbaarheid:
Conclusie Stilte kan bij PTSS een krachtige trigger zijn. Niet omdat er iets gebeurt, maar juist omdat er niets gebeurt – en dat niets voelt als gevaar. Door trauma-opslag in het lichaam en het brein kan stilte symbool staan voor onveiligheid, verlamming, verlies of onmacht. Zorgvuldige begeleiding vraagt om erkenning van deze dynamiek. Niet elke cliënt vindt rust in stilte. Soms begint heling juist bij klank, ritme, woorden en verbondenheid. |
Waarom schrijf ik?Ik schrijf over de verschillen tussen karakters, binnenwerelden en innerlijke talen. Omdat ik geloof in respect voor de ander die anders is. En in luisteren naar die ander zonder oordeel.
Ik schrijf omdat ik zie dat polarisatie, oordeel, wantrouwen, verwijdering, vijandschap, eenzaamheid, onbegrip en karikatuurvorming zoveel kapot maakt. Het zit blijkbaar in ons. In mij. In jou. Ik schrijf omdat eerlijke liefdevolle en zoekende woorden een wapen zijn tegen ontwrichting, eenzaamheid, zonde, leugens en verbittering. Ik schrijf omdat we allemaal ongelofelijk complex zijn. Onze eigen binnenwerelden zijn vergelijkbaar met afzonderlijke universums. We kunnen onszelf en de ander nooit helemaal begrijpen. Maar wel steeds meer respecteren. Respect en naastenliefde is niet ingewikkeld. Het is een grondhouding. Maar die grondhouding kan je wel alles kosten. Ik schrijf niet omdat ik veel meen te weten of een voorbeeld ben. Verre van dat. Ik schrijf juist omdat ik zoveel niet weet, maar wel al tientallen jaren zoek en blijf zoeken hoe ik kán weten en wellicht daarmee een klein voorbeeld mag zijn. Al was het maar in het omgaan met fouten, pijn en strijd. Ik schrijf voor jou, wanneer je jezelf niet meer herkent in deze wereld en in de mensen om je heen. Dat is gruwelijk eng. Je bent niet gek. Ik bid dat er iets tussen mijn schrijfsels zit waar je wél iets in herkent van jezelf. Of dat jou helpt om oordeel los te laten. Vooral over jezelf. Ik schrijf omdat er altijd hoop fluistert. Altijd. Echt. Het vraagt oefening om het te horen. Ik hoor het soms ook niet meer. Dan ga ik schrijven ... herschrijven, zoeken naar woorden die 'kloppen'. Ik schrijf ook omdat ik zonder schrijven simpelweg zou stikken. Ik kan eigenlijk niet anders. Vergeef me. Je neemt me het meest serieus als je me niet té letterlijk serieus neemt. Mijn zinnen zijn slechts pogingen om één bepaald perspectief te schilderen in woorden. Tussen duizenden andere waardevolle perspectieven. En voor iedereen die ook schrijft of schildert: blijf schrijven. Blijf alsjeblieft schilderen. Zo blijf je leven. Archieven
Juni 2026
CategorieënAlles Autisme Autonomie Big Five Borderline Chronisch Psychisch Lijden Diagnostiek Diagnostische Dwaling DSM V Empathie Evangelie Geloof Gevoeligheid Herkenning Hertraumatisering Informatie Voor Naasten Johnny Cash Langdurige Problematiek Levensfasen Liefdesverdriet Lijden Mentale Gezondheid Misdiagnose Muziek Onmogelijke Keuzes Persoonlijk Psychologie Psychopathologie Relationele Ontwrichting Songteksten Stress Therapeutische Klik Therapiematch Trauma Uitgelicht Vriendschap Zelfreflectie |
Wil je meer weten over mijn werk als psycholoog, schrijver of muzikant? Kijk dan op één van mijn websites.



RSS-feed